Art. 12 Wet VPB 1969 is ingevoerd met ingang van 1 januari 2001. Genoemd artikel bepaalt dat, indien een schuld waarvan de boekwaarde meer bedraagt dan de waarde in het economische verkeer van de met die schuld corresponderende vordering door de belastingplichtige (schuldenaar) wordt voldaan door het uitgeven van aandelen, winstbewijzen, lidmaatschapsrechten of bewijzen van deelgerechtigdheid, de belastingplichtige geacht wordt een voordeel te hebben genoten. Dit voordeel wordt gesteld op het verschil tussen de boekwaarde van de schuld en de waarde in het economische verkeer van de met die schuld corresponderende vordering op het tijdstip van de omzetting. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing indien een schuld gaat functioneren als eigen vermogen van de schuldenaar zonder dat deze daartoe aandelen uitgeeft.
Ingevolge art. 12 Wet VPB 1969 vindt ingeval van een omzetting van een (onvolwaardige) vordering in (informeel) (aandelen)kapitaal winstneming plaats bij de schuldenaar. In de periode van 28 april 1990 tot 1 januari 2001 leidde de omzetting van een afgewaardeerde vordering in aandelenkapitaal, etc. tot winstneming bij de schuldeiser. Deze in art. 13b (tekst tot 1 januari 2001) vervatte regeling had een sterke relatie met de deelnemingsvrijstelling.
De wetgever heeft zijn koerswijziging gemotiveerd door te wijzen op de grote gelijkenis die de omzetting van een onvolwaardige vordering in (informeel) (aandelen)kapitaal heeft met de kwijtschelding van een schuld. Door te kiezen voor een aanpak aan de zijde van de schuldenaar kan een gelijke fiscale behandeling plaatsvinden: tot de winst van de schuldenaar wordt gerekend het voordeel dat hij behaalt door het bevrijd worden van de schuld. De vergelijking met de kwijtscheldingsregeling is evenwel niet volledig doorgevoerd. Zo wordt het voordeel ter zake van de omzetting, voor zover dit de nog te verrekenen verliezen overtreft, niet vrijgesteld.
Met de invoering van art. 12 Wet VPB 1969 is de relatie met de deelnemingsvrijstelling losgelaten. Bij een omzetting van een (onvolwaardige) vordering in (informeel) (aandelen)kapitaal is art. 12 Wet VPB 1969 van toepassing, ongeacht of de schuldeiser na de omzetting een deelneming in de schuldenaar heeft of verkrijgt.
Mede naar aanleiding van kritiek uit de praktijk is op 24 december 2003 een wetsvoorstel ingediend, waarin is voorgesteld art. 12 te laten vervallen en art. 13b, 13ba en 13bb te wijzigen. Met dit voorstel wordt min of meer teruggekeerd naar de situatie zoals deze gold voor 1 januari 2001. Het wetsvoorstel heeft uiteindelijk geleid tot de wet van 1 december 2005, houdende wijziging van enkele belastingwetten in verband met een herziening van de behandeling van de omzetting en kwijtschelding van afgewaardeerde vorderingen en een aanpassing van de regeling voor afwaarderingsverliezen van deelnemingen, Stb. 2005, 613 (Kamerstukken 29 686). Deze wet is op 9 december 2005 in werking getreden. Met ingang van die datum is art. 12 Wet VPB 1969 dan ook vervallen.
Op de historie van het vervallen van art. 12 Wet VPB 1969 wordt nader ingegaan in de aant. 1.2.9 t/m 1.2.11 en 1.20.
In aant. 2 wordt aandacht besteed aan de omzetting van een (onvolwaardige) vordering in aandelenkapitaal, winstbewijzen, lidmaatschapsrechten of bewijzen van deelgerechtigdheid en (de omvang van) het voordeel dat de schuldenaar daarmee geacht wordt te genieten (art. 12, eerste lid, Wet VPB 1969). Ingevolge art. 12, tweede lid, Wet VPB 1969 behoeft dat voordeel tot het bedrag van de verliezen dat op de voet van art. 20a Wet VPB 1969 niet verrekenbaar is, niet tot de winst te worden gerekend. Hierop wordt in aant. 4 nader ingegaan. Art. 12, eerste lid, Wet VPB 1969 is van overeenkomstige toepassing indien een schuld gaat functioneren als eigen vermogen van de schuldenaar, zonder dat deze daartoe aandelen uitgeeft (art. 12, derde lid, Wet VPB 1969). Dergelijke omzettingen komen in aant. 6 aan de orde. In aant. 8, tenslotte, is jurisprudentie opgenomen met betrekking tot de omzetting van een onvolwaardige vordering uit de periode vóór de invoering van art. 13b (tot 1 januari 2001) en art. 12 Wet VPB 1969.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 12 Wet VPB 1969 (vanaf 1 januari 2001), aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 04-01-2021
04-01-2021, Dit tijdvak van art. 12 is vervallen en wordt niet meer bijgewerkt.
01-01-2001 tot: 01-01-2007
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 12 Wet VPB 1969 (vanaf 1 januari 2001), aant. 1.1
Vennootschapsbelasting / Tarief
Vennootschapsbelasting / Fusie en splitsing
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Fiscale eenheid
Vennootschapsbelasting / Geruisloze terugkeer
Vennootschapsbelasting / Innovatiebox
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Vennootschapsbelasting / Vrijstelling
Vennootschapsbelasting / Verliesverrekening
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Belastingplichtige
Vennootschapsbelasting / Beleggingsinstelling
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 12
Beschouwing
Art. 12 Wet VPB 1969 is ingevoerd met ingang van 1 januari 2001. Genoemd artikel bepaalt dat, indien een schuld waarvan de boekwaarde meer bedraagt dan de waarde in het economische verkeer van de met die schuld corresponderende vordering door de belastingplichtige (schuldenaar) wordt voldaan door het uitgeven van aandelen, winstbewijzen, lidmaatschapsrechten of bewijzen van deelgerechtigdheid, de belastingplichtige geacht wordt een voordeel te hebben genoten. Dit voordeel wordt gesteld op het verschil tussen de boekwaarde van de schuld en de waarde in het economische verkeer van de met die schuld corresponderende vordering op het tijdstip van de omzetting. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing indien een schuld gaat functioneren als eigen vermogen van de schuldenaar zonder dat deze daartoe aandelen uitgeeft.
Ingevolge art. 12 Wet VPB 1969 vindt ingeval van een omzetting van een (onvolwaardige) vordering in (informeel) (aandelen)kapitaal winstneming plaats bij de schuldenaar. In de periode van 28 april 1990 tot 1 januari 2001 leidde de omzetting van een afgewaardeerde vordering in aandelenkapitaal, etc. tot winstneming bij de schuldeiser. Deze in art. 13b (tekst tot 1 januari 2001) vervatte regeling had een sterke relatie met de deelnemingsvrijstelling.
De wetgever heeft zijn koerswijziging gemotiveerd door te wijzen op de grote gelijkenis die de omzetting van een onvolwaardige vordering in (informeel) (aandelen)kapitaal heeft met de kwijtschelding van een schuld. Door te kiezen voor een aanpak aan de zijde van de schuldenaar kan een gelijke fiscale behandeling plaatsvinden: tot de winst van de schuldenaar wordt gerekend het voordeel dat hij behaalt door het bevrijd worden van de schuld. De vergelijking met de kwijtscheldingsregeling is evenwel niet volledig doorgevoerd. Zo wordt het voordeel ter zake van de omzetting, voor zover dit de nog te verrekenen verliezen overtreft, niet vrijgesteld.
Met de invoering van art. 12 Wet VPB 1969 is de relatie met de deelnemingsvrijstelling losgelaten. Bij een omzetting van een (onvolwaardige) vordering in (informeel) (aandelen)kapitaal is art. 12 Wet VPB 1969 van toepassing, ongeacht of de schuldeiser na de omzetting een deelneming in de schuldenaar heeft of verkrijgt.
Mede naar aanleiding van kritiek uit de praktijk is op 24 december 2003 een wetsvoorstel ingediend, waarin is voorgesteld art. 12 te laten vervallen en art. 13b, 13ba en 13bb te wijzigen. Met dit voorstel wordt min of meer teruggekeerd naar de situatie zoals deze gold voor 1 januari 2001. Het wetsvoorstel heeft uiteindelijk geleid tot de wet van 1 december 2005, houdende wijziging van enkele belastingwetten in verband met een herziening van de behandeling van de omzetting en kwijtschelding van afgewaardeerde vorderingen en een aanpassing van de regeling voor afwaarderingsverliezen van deelnemingen, Stb. 2005, 613 (Kamerstukken 29 686). Deze wet is op 9 december 2005 in werking getreden. Met ingang van die datum is art. 12 Wet VPB 1969 dan ook vervallen.
Op de historie van het vervallen van art. 12 Wet VPB 1969 wordt nader ingegaan in de aant. 1.2.9 t/m 1.2.11 en 1.20.
In aant. 2 wordt aandacht besteed aan de omzetting van een (onvolwaardige) vordering in aandelenkapitaal, winstbewijzen, lidmaatschapsrechten of bewijzen van deelgerechtigdheid en (de omvang van) het voordeel dat de schuldenaar daarmee geacht wordt te genieten (art. 12, eerste lid, Wet VPB 1969). Ingevolge art. 12, tweede lid, Wet VPB 1969 behoeft dat voordeel tot het bedrag van de verliezen dat op de voet van art. 20a Wet VPB 1969 niet verrekenbaar is, niet tot de winst te worden gerekend. Hierop wordt in aant. 4 nader ingegaan. Art. 12, eerste lid, Wet VPB 1969 is van overeenkomstige toepassing indien een schuld gaat functioneren als eigen vermogen van de schuldenaar, zonder dat deze daartoe aandelen uitgeeft (art. 12, derde lid, Wet VPB 1969). Dergelijke omzettingen komen in aant. 6 aan de orde. In aant. 8, tenslotte, is jurisprudentie opgenomen met betrekking tot de omzetting van een onvolwaardige vordering uit de periode vóór de invoering van art. 13b (tot 1 januari 2001) en art. 12 Wet VPB 1969.