HR, 15-03-1978, nr. 18 315
ECLI:NL:HR:1978:AX2976
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-03-1978
- Zaaknummer
18 315
- LJN
AX2976
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1978:AX2976, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑03‑1978; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1978:AX2976
ECLI:NL:PHR:1978:AX2976, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑03‑1978
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1978:AX2976
- Vindplaatsen
BNB 1978/224 met annotatie van J.E.A.M. VAN DIJCK
BNB 1978/224 met annotatie van Van Dijck
Uitspraak 15‑03‑1978
Inhoudsindicatie
Belanghebbende kocht, kort voordat hij metterwoon naar Spanje vertrok, obligaties - lopende rente - welke hij kort na zijn vertrek weer verkocht.
15 maart 1978.
nr. 18.315
DG.
De Hoge Raad der Nederlanden,
Gezien het beroepschrift in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 oktober 1976 betreffende de aan [X], thans wonende te [Z] in Spanje, opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1972;
Gezien de conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest strekkende tot verwerping van het beroep; Gezien de stukken;
Overwegende dat belanghebbende, aan wie voor het jaar 1972 een aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 95.809, -- , na vergeefs bezwaar bij de Inspecteur van diens uitspraak in beroep is gekomen bij het Gerechtshof;
Overwegende dat het Hof als tussen partijen vaststaande heeft aangemerkt:
"Op 27 september 1972 kocht belanghebbende via de Algemene Bank Nederland N.V. (de bank) de volgende obligaties:
100/1000 8% Nederland 1969-25 jaar à f 107,50 | f 107.500, -- |
100/1000 8% Bank Nederlandse Gemeenten 1969-7 jaar à f 106,70 | f 106.700, -- |
f 214.200, -- | |
bankprovisie | f 1.484,41 |
beursbelasting | f 273,25 |
uitleveringskosten | f 20, -- |
Totale aanschaffingskosten | f 215.977,66. |
Aan lopende rente werd een bedrag van f 13.511,11 meegekocht.
Blijkens het rekening-courantoverzicht van belanghebbende met de bank was belanghebbendes creditsaldo op 27 september 1972 f 37.000, --. Valutadatum 27 september 1972 werd belanghebbendes rekening-courant gedebiteerd voor de totale aanschaffingskosten der genoemde obligaties en de meegekochte rente is totaal f 229.488,77 alsmede ter zake van voorlopig vooruit in rekening gebrachte rente over drie maanden van 7% over f 200.000, -- is f 3.500, --. Ten gevolge van deze debiteringen wees belanghebbendes rekening-courant een debetsaldo aan van f 195.988,77.
Valutadatum 28 september 1972 stortte belanghebbende f 25.000, -- waarna zijn debetsaldo bedroeg f 170.988,77. Valutadatum 24 januari 1973 werd de vooruit in rekening gebrachte rente ad f 3.500, -- teruggeboekt en valutadatum 1 februari 1973 werd belanghebbende voor de werkelijk verschuldigde rente ad f 2.667,27 gedebiteerd.
Blijkens het genoemde rekening-courantoverzicht berekende de bank omstreeks die tijd over debetsaldi 7% rente.
In het einde van de week, beginnende met 1 oktober 1972, vertrok belanghebbende met zijn vrouw metterwoon naar [Z], Spanje, alwaar beiden per 11 oktober als inwoner werden geregistreerd.
Belanghebbendes debetsaldo in rekening-courant vlak voor zijn vertrek was eerder genoemd bedrag van f 170.988,77.
Op 27 november 1972 verkocht belanghebbende de f 100.000,- 8% Nederland 1969 die f 104.360, -- opbrachten. Ter zitting is komen vast te staan dat de Inspecteur ten onrechte in zijn vertoogschrift heeft gesteld dat op dezelfde dag de f 100.000, -- nominaal Bank Nederlandse Gemeenten 1969 zijn verkocht. Deze obligaties zijn verkocht in 1974. Voor het netto provenu ad f 96.946,35 is belanghebbende op 29 januari 1974 in rekening-courant met de bank gecrediteerd. Onmiddellijk voor deze creditering stond hij debet voor f 62.278,95.
Per 22 september 1972 had belanghebbende zijn onderneming verkocht aan zijn zoon. Belanghebbende is geboren op 25 december 1908. Zijn vermogen bestond op 1 januari 1972 onder andere uit effecten ad f 102.382, -- , bedrijfsvermogen ad f 102.200, -- , banktegoeden ad f 13.657, -- , kasgeld ad f 6.500, -- , voer- en vaartuigen ad f 20.000, -- en een vordering ad f 40.752, --. Na aftrek van schulden bedroeg het vermogen in volle eigendom f 232.186, --. Een belangrijk argument om eerdergenoemde obligaties te kopen lag mede in het toen bestaande zogenaamde -O-gulden circuit. Rond de tijd van belanghebbendes emigratie was het aan niet Nederlands ingezetenen slechts beperkt toegestaan Nederlandse obligaties te kopen. Men kon die obligaties slechts kopen met zogenaamde -0-guldens. Dit waren guldens die vrij kwamen bij de verkoop door andere niet-ingezetenen van Nederlandse obligaties. Door de vraag naar deze guldens deden zij een agio ten opzichte van de "gewone gulden". De koers varieerde tussen 1 juli 1972 en 1 juli 1973 tussen 1.01 en 1.072. Wanneer men tijdens het Nederlandse ingezetenschap Nederlandse obligaties kocht en daarna emigreerde werd door de grensoverschrijding het pakket obligaties meer waard aangezien de nominale guldenswaarde een -0-guldenswaarde werd.
Dat tussen partijen uitsluitend in geschil is of de met de obligaties meegekochte rente ad f 13.511, -- terecht ten laste van belanghebbendes binnenlands belastbaar inkomen is gebracht zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist; ";
Overwegende dat het Hof de standpunten van partijen als volgt heeft weergegeven:
"dat belanghebbende voor zijn opvatting heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven:
1. Het houden van obligaties zal, gezien het karakter daarvan, vrijwel altijd een bron van inkomen vormen. Een obligatie is immers een langlopende schuld met een gelijkmatige jaarlijkse opbrengst. Het feit dat de financiering van de aankoop gedeeltelijk met geleend geld geschiedde doet hieraan geen afbreuk. Het is niet ongebruikelijk beleggingen tijdelijk te financieren. De vermogenspositie van belanghebbende stelde hem bovendien in staat om het gedeelte van de financiering met geleend geld vrij snel grotendeels om te zetten in een financiering met eigen vermogen.
2. Belanghebbende mocht ten tijde, waarop hij de obligaties kocht, redelijkerwijs verwachten dat hij door verkoop van de obligaties de daaruit vrijkomende -0-guldens met winst zou kunnen verkopen.
3. Het negatief rendement dat de Inspecteur over 1972 berekent op f 178, -- is in werkelijkheid positief als ook 1973 mede in aanmerking wordt genomen. De opbrengst over 1973 bedroeg f 8.000, -- , de debetrente over 1973 was f 7.638,78, derhalve over 1973 een voordeel van f 361,22. Per saldo resteerde dus een voordeel van f 183,22.
dat de Inspecteur heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven:
De obligaties zijn niet gekocht ter belegging aangezien er geen vermogen te beleggen was en de aankoop geheel met bankkrediet is gefinancierd.
De obligaties zijn kennelijk slechts gekocht om een tweetal incidentele voordelen te behalen, te weten:
1. een éénmalig fiscaal voordeel door het scheppen van een rente-aftrekpost.
2. een éénmalig voordeel door bij verkoop van de obligaties in het buitenland zogenaamde -0-guldens te verwerven, die meer waard zijn dan de guldens waarmee de aankoop werd gefinancierd.
ad 1. de aftrek van meegekochte rente mag alleen worden gezien in onmiddellijke samenhang met de belastbaarheid van de rente, wanneer de coupons vervallen. Nu de coupons in casu eerst na de emigratie vervallen en de rente dus buiten het bereik van de Nederlandse fiscus blijft, kan als complement de vóór de emigratie betaalde rente niet worden afgetrokken (Vergelijk arrest Hoge Raad 15 juni 1966, B.N.B. 201).
ad 2. Het -0-gulden voordeel ligt geheel in de vermogenssfeer en dus buiten de inkomenssfeer. De kosten tot verwerving van dit voordeel, inclusief de meegekochte rente, liggen dus eveneens in de vermogenssfeer en zijn voor de bepaling van het belastbare inkomen irrelevant.";
Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen:
"dat in het algemeen obligaties belastbare voordelen opleveren tenzij ten tijde van haar verkrijging redelijkerwijs valt te verwachten dat de lasten, waaronder die tot financiering van de aankoopprijs, de opbrengsten blijvend zullen overtreffen;
dat de Inspecteur - op wie in deze de bewijslast rust - aan het Hof niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat laatstgenoemde situatie zich in het onderhavige geval heeft voorgedaan;
dat integendeel uit de vaststaande feiten, dat belanghebbende niet de gehele aankoopprijs met bankkrediet heeft gefinancierd en dat de bank hem over zijn debetsaldo een rente van 7% in rekening bracht en het effectieve rendement op de obligaties 7,4% (totale investering exclusief lopende rente afgerond f 216.000, -- , couponrente 8%) beliep, de conclusie kan worden getrokken dat de onderhavige obligaties, rekening houdend met de rente over het deel van de aankoopprijs dat met bankkrediet was gefinancierd, belastbare voordelen zouden opleveren;
dat het standpunt van de Inspecteur, dat de litigieuze kosten niet ten laste van het binnenlands inkomen van belanghebbende kunnen worden gebracht aangezien de daartegenover staande opbrengsten niet in Nederland kunnen worden belast, geen steun vindt in enig wetsvoorschrift noch in het systeem der wet, zodat dit moet worden verworpen; ";
Overwegende dat het Hof op deze gronden de uitspraak van de Inspecteur heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van f 82.298, --;
Overwegende dat de Staatssecretaris van Financiën het volgende middel van cassatie heeft voorgesteld:
"Schending van het Nederlandse recht met name van artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 doordat het Hof heeft beslist dat belanghebbende de bij de aankoop van nominaal f 200.000, -- obligaties meegekochte rente ad f 13.511,11 als aftrekbare kosten in mindering mag brengen op zijn overige inkomen, zulks ten onrechte aangezien vaststaat dat gedurende de binnenlandse belastingplicht van belanghebbende geen positieve opbrengst kon worden verwacht en evenmin werd beoogd. ";
Overwegende dat dit middel is toegelicht als volgt:
"Belanghebbende vestigde zich 11 oktober 1972 metterwoon in Spanje, waardoor aan zijn binnenlandse belastingplicht voor de inkomstenbelasting een einde kwam. Op 27 september 1972 kocht belanghebbende nominaal f 100.000, -- 8%-obligaties B.N.G. en nominaal f 100.000, -- 8%-obligaties Nederland. In de koopprijs was f 13.511, 11 rente begrepen welk bedrag door belanghebbende als aftrekbare kosten ter zake van de inkomsten uit vermogen werd aangemerkt. Het Hof heeft zich met de opvatting van belanghebbende verenigd en het bedrag ten laste van het inkomen gebracht. Het Hof spreekt ten onrechte over het binnenlands inkomen van belanghebbende. Het gaat om het inkomen van belanghebbende als binnenlands belastingplichtige.
De beslissing van het Hof is niet juist. Toen belanghebbende vlak voor zijn vertrek naar Spanje de obligaties met de lopende rente kocht, stond vast dat de obligaties tijdens zijn binnenlandse belastingplicht geen positieve opbrengst meer konden opleveren, terwijl eveneens vaststaat dat belanghebbende dit ook niet beoogde. Integendeel, hij beoogde te bereiken dat de meegekochte rente als aftrekbare kosten werd aangemerkt en dat de door hem te ontvangen rente - bij eventuele verkoop van de obligaties dan wel op coupondatum - zou worden genoten na zijn vertrek uit Nederland waardoor de rente niet meer door de Nederlandse inkomstenbelasting zou kunnen worden getroffen.
Voor deze opvatting is steun te vinden in de arresten van de Hoge Raad van 11 januari 1961, B.N.B. 1961/86, van 15 juni 1966, B.N.B. 1966/201, en van 5 juni 1974, B.N.B. 1974/184. ";
Overwegende dienaangaande:
dat noch artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, noch enige andere bepaling van die wet steun biedt aan de stelling van het middel dat de omstandigheid, dat vaststaat dat gedurende de binnenlandse belastingplicht van belanghebbende geen positieve opbrengst van de aangekochte obligaties kon worden verwacht en evenmin werd beoogd, in de weg zou staan aan de aftrek van het bedrag van de bij de aankoop van die obligaties meegekochte rente;
dat het middel mitsdien ongegrond is;
Verwerpt het beroep.
Gedaan bij de Heren Telders, Vice-President, Reynders, Martens, Van Vucht en Jansen, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de vijftiende maart 1900 acht en zeventig, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Pieters.
Conclusie 15‑03‑1978
Inhoudsindicatie
Belanghebbende kocht, kort voordat hij metterwoon naar Spanje vertrok, obligaties - lopende rente - welke hij kort na zijn vertrek weer verkocht.
V.
Nr. 18.315.
Raadkamer B.
Parket, 19 december 1977.
Mr. van Soest.
Conclusie inzake:
STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN / [X].
Edelhoogachtbare Heren,
De belanghebbende kocht eind september 1972 een groot aantal obligaties, waarvan de rente één maal per jaar vervalt. Voor de koopprijs, aankoopkosten en lopende rente werd zijn rekening- courant bij de Algemene Bank Nederland N.V. gedebiteerd. Begin oktober 1972 vertrok de belanghebbende metterwoon naar Spanje. In geschil is, of bij de berekening van het belastbare inkomen dat de belanghebbende als binnenlands belastingplichtige in 1972 genoot, het voor lopende rente te zijnen laste gebrachte bedrag, groot f 13.511, 11, in mindering kan worden gebracht. Blijkens de wetsgeschiedenis van de Wet van 1 februari 1967, Staatsblad 68, wordt de aftrek ter zake van bij aankoop lopende rente op een obligatie die (art. 27, lid 1, 2e volzin, Wet op de inkomstenbelasting 1964 (I.B. '64), tekst 1967) "gedurende haar volle looptijd een zelfde, regelmatig vervallende rente draagt, betrekking (hebbende) op een tijdvak van een jaar of korter", beheerst door art. 35, lid 1, I.B. '64. Nadat in de Memorie van toelichting, Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1965- 1966 - 8642, nr. 3, blz. 3, rechterkolom, 1e al., was gezegd "de meegekochte rente wordt aangemerkt als aftrekbare kosten in het jaar van aankoop", werd in het Voorlopig verslag, nr. 4, blz. 2, linkerkolom, 5e al., opgemerkt: "De ..... voorgestelde wettekst .... riep bij ....... verschillende .....leden de vraag op, of er op deze wijze in de wet een voldoende basis komt voor de beoogde aftrek als kosten van de meegekochte rente. Immers, een zodanige aftrek is volledig in strijd met de gedachtengang, welke aan het systeem van artikel 27 ten grondslag ligt........ Deze gedachtengang wordt ......ten principale gehandhaafd. Maar is het dan niet noodzakelijk om voor de uitzondering op die gedachtengang expliciet een bepaling in de wet op te nemen?" De Memorie van antwoord, 1966-1967, nr. 5, blz. 2, linkerkolom, 6e al., hield in: "bij de belastingplichtige komt in aanmerking het bij hem ...... gerijpte deel der inkomsten. Het volgens deze regel becijferde bedrag wordt evenwel blijkens de voorgestelde bepaling in geval van gekochte termijnen van een jaar of korter, verhoogd met het gedeelte dat niet gerijpt is bij de koper ....., maar is meegekocht. Ten aanzien van dit meekochte deel is kostenaftrek naar het oordeel van de ondergetekende niet kwestieus: het voor de meegekochte rente betaalde bedrag valt rechtstreeks onder het in artikel 35, eerste lid, bedoelde begrip aftrekbare kosten. Een uitdrukkelijke bepaling hiervoor acht hij derhalve niet nodig. " In gelijke zin de heer Scholten, Handelingen, blz. 982, rechterkolom, 2e al. v.o.
Naar het mij voorkomt, moet de aldus opgegeven leesoefening (zie Voorlopig verslag t.a.p .; A.J. van Soest, Belastingen, 13e druk door P. den Boer, F.W.G.M. van Brunschot en J. van Soest, 1977, blz. 138; H.J. Hofstra, Inkomstenbelasting, 1975, blz. 230 v. ) aldus uitgevoerd worden: nadat art. 27, lid 1, 1e volzin, I.B. '64 de bij aankoop lopende rente van de inkomsten uit vermogen van de koper heeft uitgesloten, voegt art. 27, lid 1, 2e volzin, I.B. '64, tekst 1967, haar daar weer aan toe; hetgeen deswege betaald is, vormt derhalve (art. 35, lid 1, I.B. ' 64) "op de inkomsten drukkende kosten tot verwerving ......daarvan".
De aldus als "aftrekbare kosten" aangemerkte uitgaven worden (art. 38, lid 1, I.B. '64) "in aanmerking genomen op het tijdstip waarop zij betaald of verrekend zijn", ongeacht op welk tijdstip de desbetreffende inkomsten (art. 33, lid 1, I.B. '64) "worden beschouwd te zijn genoten". Dit uiteenlopen in de tijd, dat inherent is aan het (ook wel als reëel of met de woorden "pay as you go" aangeduide) systeem van de regeling van de zuivere inkomsten in de Nederlandse inkomstenbelasting in het algemeen, wordt voor de onderhavige soort van uitgaven en inkomsten in het bijzonder bevestigd door de zojuist gereleveerde geschiedenis. Het is dus mogelijk, en door de wetgever aanvaard, dat de aftrek ter zake van de aankoop wordt geëffectueerd over het ene jaar en de bijtelling van de uiteindelijk ontvangen rente over het andere. Door de beperking tot obligaties met regelmatig, ten minste jaarlijks, vervallende rente bewerkt de wet, dat bij een verder uiteenlopen in de tijd een ander systeem wordt aanvaard.
Doen zich in de tussentijd wijzigingen in de belastingplicht voor, dan blijven de door de wet aangegeven tijdstippen doorslaggevend. Overlijdt de belastingplichtige na de aankoop, maar voordat de rente vervalt, dan wordt de betaling voor de lopende rente bij hem in mindering gebracht, maar vormt de rente inkomsten voor zijn rechtverkrijgenden. Wordt het huwelijk van de vrouw die de obligatie aankocht, ontbonden, voordat de rente vervalt, dan wordt de betaling voor de lopende rente in mindering gebracht bij haar man en vormt de rente inkomsten voor haar zelf.
Analoog ligt de problematiek bij de afbakening van het Nederlandse belastinggebied. Binnenlandse belastingplichtigen zijn aan de Nederlandse belastingheffing onderworpen voor hun gehele inkomen, zoals nader in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 uitgewerkt, dat wil onder meer zeggen dat inkomsten in aanmerking genomen worden, indien zij gedurende de binnenlandse belastingplicht zijn genoten in de zin van art. 33, lid 1, I.B. '64, en dat aftrekbare kosten in aanmerking genomen worden op het tijdstip, aangegeven in art. 38, lid 1, I.B. '64. Daartoe behoort dus bij aankoop van obligaties als de onderhavige het voor lopende rente betaalde bedrag, indien het betaald of verrekend is tijdens de binnenlandse belastingplicht. Personen die niet hier te lande wonen, zijn slechts aan de Nederlandse inkomstenbelasting onderworpen, indien zij binnenlands inkomen genieten. Tot het binnenlandse inkomen behoren inkomsten uit obligaties niet: deze inkomsten komen naar het systeem van de Nederlandse inkomstenbelasting ter belasting toe aan het land waar de genieter woont. De rente die door een niet hier te lande wonend persoon wordt ontvangen op obligaties als de onderhavige, is dan ook in Nederland niet belastbaar: de wettelijke regeling gaat ervan uit, dat het woonland die rente belast (daarbij maakt het voor de unilaterale Nederlandse regeling geen verschil, of en in hoeverre het woonland zulks daadwerkelijk doet; zij kan er geen rekening mede houden, of andere landen sterk of minder sterk van de onze afwijkende regelingen kennen). Omgekeerd wordt bij iemand die zich na de aankoop van een obligatie als de onderhavige, maar voordat de rente vervalt, metterwoon in Nederland vestigt, de rente tot zijn inkomsten gerekend en wordt het bij aankoop voor de lopende rente betaalde bedrag niet afgetrokken.
De rekwirant van cassatie (de Staatssecretaris) voert aan, dat het zojuist ontvouwde in het onderhavige geval niet opgaat, aangezien "Toen belanghebbende vlak voor zijn vertrek naar Spanje de obligaties met de lopende rente kocht, (vast) stond ...... dat de obligaties tijdens zijn binnenlandse belastingplicht geen positieve opbrengst meer konden opleveren, terwijl eveneens vaststaat dat belanghebbende dit ook niet beoogde". Dit betoog betrekt de algemene vereisten voor de aanwezigheid van een bron van inkomen "voordeel verwachten" en "voordeel beogen" op de periode gedurende welke binnenlandse belastingplicht bestaat. In deze zin ook H.R. 15 juni 1966, B.N.B. 1966/201 met noot L. Lancée, Weekblad voor fiscaal recht (W.F.R. ) 4818 d.d. 22 september 1966, jaargang 95, blz. 824 met noot C. van Soest, inzake vóór het vertrek naar het buitenland betaalde verhuiskosten met het oog op de aanvaarding van een dienstbetrekking aldaar; 5 juni 1974, B.N.B. 1974/184 met noot P. den Boer, W.F.R. 5231 d.d. 26 juni 1975, jaargang 104, blz. 590 met noot C. van Soest, Vakstudie-Nieuws 6 juli 1974, punt 7, F.E.D., I.B. ' 64:Art. 35:97 met noot M.R. Reuvers, inzake schadevergoeding en proceskosten, na vestiging hier te lande betaald uit hoofde van een voordien beëindigde dienstbetrekking (het valt op, dat de annotatoren geen goed woord voor de beslissingen over hebben; het gunstigste commentaar, dat van Reuvers, is vervat in strikt neutrale bewoordingen). Dat op deze wijze de kosten "tussen ka en schip" vallen, blijkt uit Hof 's-Gravenhage 29 juli 1965, B.N.B. 1966/73 (verhuiskosten met het oog op de aanvaarding van een dienstbetrekking hier te lande niet aftrekbaar, omdat zij betaald zijn vóór vestiging alhier), in het bijzonder bij vergelijking met Hof 's-Hertogenbosch 13 november 1964, B.N.B. 1965/49 (verhuiskosten met het oog op de aanvaarding van een dienstbetrekking hier te lande aftrekbaar; blijkbaar waren zij betaald na vestiging alhier). Anders met betrekking tot bij aankoop van rentespaarbrieven meegekochte rente onder het vóór 1964 geldende regime Hof 's-Gravenhage 19 oktober 1970, B.N.B. 1971/175.
Mij komt het voor, dat het in het geobjectiveerde en reële systeem van de Nederlandse inkomstenbelasting en in een evenwichtige afbakening van het belastinggebied niet past bij de beoordeling van bronnen van inkomen de ogen te sluiten voor hetgeen buiten de grenzen gebeurt. Dat gebeurt dan ook niet bij buitenlands onroerend goed (Hof 's-Gravenhage 21 februari 1969, B.N.B. 1970/75). Indien iemand zijn arbeid productief maakt door achtereenvolgens onderscheiden dienstbetrekkingen te aanvaarden en ons inkomensbegrip de daardoor opgeroepen verhuiskosten in aftrek aanvaardt, dan behoort dat niet doorkruist te worden door de omstandigheid dat het een internationale verhuizing betreft. Het is dan mogelijk de verhuiskosten steeds toe te rekenen aan de nieuwe dienstbetrekking en dan zou Hof 's-Gravenhage 29 juli 1965, B.N.B. 1966/73, onjuist zijn; het is ook mogelijk de aftrek te doen bepalen door het tijdstip waarop zij gedaan zijn, en dan is H.R. 15 juni 1966, B.N.B. 1966/201, onjuist. Aangezien nu de wettelijke regeling, gelijk ik hiervóór betoogde, duidelijk voor de tweede mogelijkheid kiest, acht ik de laatstbedoelde slotsom onontkoombaar.
Op gelijke gronden meen ik, dat het in art. 35, lid 1, I.B. '64 neergelegde vereiste voor de aftrekbaarheid van kosten, dat zij strekken "tot verwerving" van inkomsten (zie H.R. 11 januari 1961, B.N.B. 1961/86 met noot H.J. Hellema; Lancée, Weekblad voor Privaatrecht, Notaris-ambt en Registratie 4691 d.d. 30 september 1961, jaargang 92, blz. 391, noot 3; verg. ook H.R. 31 oktober 1973, B.N.B. 1973/253), niet verzwaard mag worden door voor "inkomsten" te lezen "hier te lande belastbare inkomsten".
Ik meen dan ook, dat het betoog van de Staatssecretaris, voor zover ik het citeerde, niet tot cassatie kan leiden.
De Staatssecretaris vervolgt: "hij beoogde te bereiken dat de meegekochte rente als aftrekbare kosten werd aangemerkt en dat de door hem te ontvangen rente .... zou worden genoten na zijn vertrek uit Nederland waardoor de rente niet meer door de Nederlandse inkomstenbelasting zou kunnen worden getroffen".
Naar mijn indruk is hiermede niet meer bedoeld dan een adstructie van hetgeen vooraf is gegaan. Men kan zich intussen afvragen, of hier niet mede wordt gedoeld op een situatie waarin, omdat anders doel en strekking van de wet gemist zouden worden, aftrek van het bij aankoop voor de lopende rente betaalde bedrag geweigerd zou moeten worden, Naar het mij voorkomt, brengt echter reeds de omstandigheid, dat de ontvangen rente in Spanje aan een inkomstenbelasting onderworpen kan zijn, mede, dat het praktische resultaat van de aangegane rechtshandelingen zo sterk verschilt van hetgeen het geval zou zijn geweest zo zij achterwege waren gebleven, dat het leerstuk van de wetsontduiking geen toepassing kan vinden.
Het middel ongegrond bevindende, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,