FED 1994/529
De waarde van hetgeen bij vervreemding van a.b.-aandelen wordt verkregen dient te worden bepaald naar de toestand ten tijde van de vervreemding. Hierbij dient rekening te worden gehouden met hetgeen later omtrent de toestand op dat tijdstip bekend is geworden.
HR 22-06-1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5693, m.nt. T. Blokland
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22 juni 1994
- Magistraten
Jansen, R.J.J.; Linde, van der; Bellaart; Jansen, C.H.M.; Putt-Lauwers, van der; Berge, van den
- Zaaknummer
29090
- Noot
T. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS213627:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1994:ZC5693, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑06‑1994
- Wetingang
Art. 39 Wet IB 1964
Essentie
De waarde van hetgeen bij vervreemding van a.b.-aandelen wordt verkregen dient te worden bepaald naar de toestand ten tijde van de vervreemding. Hierbij dient rekening te worden gehouden met hetgeen later omtrent de toestand op dat tijdstip bekend is geworden.
Uitspraak
Het geschil betrof de aanslag inkomstenbelasting 1984.
Vaststaat:
3.1. Belanghebbende was houder van de helft van het geplaatste en gestorte aandelenkapitaal van de BV A. Zijn verkrijgingsprijs voor dit pakket bedroeg f 237 500.
3.2. Op 9 augustus 1984 verkocht belanghebbende het pakket aan B BV voor een prijs van f 300 000 van welk bedrag ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.