De rechten worden in juridische zin voor belastingen worden gehouden (tweede lid), hoewel het in economische zin niet om echte belastingen gaat. Wat betreft de juridische betekenis van de rechten staat de tegenprestatie — in tegenstelling tot zuivere belastingen — centraal. Rechten zijn in die zin betalingen die de overheid krachtens algemene regelen vordert ter zake van een concrete door haar in haar functie als zodanig individueel bewezen dienst. Bij belastingen gaat het om gedwongen betalingen aan de overheid als zodanig, waar geen rechtstreekse individuele contraprestatie van de overheid tegenover staat en die krachtens algemene regelen worden geheven.
Een ruimer belastingbegrip is het begrip 'overheidsheffing', hetgeen werd geïntroduceerd naar aanleiding van de discussie over het al dan niet achterhaald zijn van de begrippen 'belastingen' en 'rechten'. Belastingen zijn dan 'betalingen die de overheid vordert op grond van een publiekrechtelijke regeling, uitsluitend of mede ter verwerving van inkomsten door de in die regeling aangewezen lichamen, en anders dan op grond van privaatrechtelijke overeenkomst, dwangmatig en overeenkomstig algemene regelen'.
Het toepassingsgebied van rechten is vanuit economisch perspectief niet gelijk aan dat van de echte belastingen.
Door de overheid worden namelijk tal van goederen geproduceerd, die in economische zin niet onder één noemer zijn te vatten. De overheid houdt zich in de eerste plaats bezig met de productie van collectieve goederen, die technisch niet zijn te splitsen in eenheden welke op een markt kunnen worden verhandeld (bijvoorbeeld 'algemeen bestuur'). Daarnaast houdt de overheid zich echter ook bezig met de productie van individuele goederen, we spreken dan van quasi-collectieve goederen. In andere gevallen spreken we van marktgoederen. Voor elk van de genoemde categorieën komt vanuit allocatief oogpunt in theorie een eigen bekostigingsvorm het meest in aanmerking. Marktgoederen worden bekostigd via prijzen, die via de markt tot stand komen. Quasi-collectieve goederen worden vooral via rechten bekostigd, zulks al dan niet kostendekkend. Hoewel bekostiging van deze voorzieningen in theorie via een prijsmechanisme zou kunnen plaatsvinden, omdat het in casu, net als bij marktgoederen, om individuele goederen gaat, vindt de bekostiging vrijwel steeds op publiekrechtelijke wijze plaats. De hoogte van de vergoeding wordt dan niet bepaald door vraag- en aanbodverhoudingen, evenmin als de hoeveelheden van de desbetreffende goederen of diensten.
Dat de in art. 229 Gemeentewet bedoelde rechten voor belastingen worden gehouden, heeft de volgende betekenis. Hoewel de wetgever door de woorden 'voor gemeentelijke belastingen worden gehouden' tot uitdrukking brengt dat het in casu niet om echte belastingen (in economische zin) gaat, bereikt hij daarmee wel dat de bedoelde rechten in formeel-juridische zin met belastingen worden gelijkgesteld. Dat betekent dat voor de rechten van art. 229 dezelfde wettelijke voorschriften gelden als voor de overige gemeentelijke belastingen. Rechten worden derhalve geheven krachtens een door de gemeenteraad vastgestelde belastingverordening welke aan de in art. 217 Gemeentewet bedoelde vereisten moet voldoen. Op de heffing en de invordering van de rechten, bedoeld in art. 229, zijn de bepalingen van de AWR en de Invorderingswet 1990 op overeenkomstige wijze van toepassing als op de gemeentelijke belastingen.
Recentelijk is de verduurzaming van de lokale belastingen onderwerp van discussie. Ook voor de de rechten bestaan in dit verband mogelijkheden voor duurzame alternatieven. "Groene leges" (een korting op of vrijstelling van de leges bij de vergunningsaanvraag van een bouwwerk dat aan bepaalde duurzaamheidscriteria voldoet) kan een belangrijke bijdrage leveren aan de transitie in de bouw omdat de leges een kostenverzwarend element zijn bij het oprichten van een bouwwerk. Zie in dit verband o.a. aant. 13A.1 e.v..
Tenslotte zullen per 1 januari 2024 de nieuwe Omgevingswet, samen met de Wet Kwaliteitsborging Bouw, ingrijpende gevolgen hebben voor de legesheffing door gemeenten. Zie in dit verband aant. 13K.1.
Literatuur
M.P. van der Burg e.a., Compendium gemeentelijke belastingen en de Wet woz, Deventer: Wolters Kluwer 2023 (dertiende druk), p. 562, geven aan dat het moeilijk is de afzonderlijke rechten naar de opsomming in artikel 229, eerste lid, van de Gemeentewet in te delen en te benoemen als ofwel gebruiks-, danwel genotsrechten. Veelal hebben de rechten een gemengd karakter.
P. van den Berg, 'Gevolgen Omgevingswet voor de leges', Belastingblad 2022/307, gaat in op enkele belangrijke gevolgen van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) voor de legesheffing door decentrale overheden. Gemeenten gaan hun regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk samen in één regeling (Omgevingsplan) waarbij zij meer vrijheid krijgen dan voorheen. De beleidskeuzes die lokaal worden gemaakt, hebben belangrijke gevolgen voor de legesheffing. Niet voor alle instrumenten is namelijk legesheffing mogelijk. Voor het behandelen van aanvragen voor vergunningen of maatwerkvoorschriften wel, maar voor het verwerken van informatie (bij een informatieplicht) of het afhandelen van een melding (bij een meldingsplicht) niet. Dit hangt samen met het feit dat legesheffing alleen mogelijk is voor gemeentelijke dienstverlening.
A.W. Schep, 'Inventarisatie tegemoetkoming lokale belastingen in verband met Corona', Belastingblad 2020/162, gaat in op diverse keuzes die gemeenten kunnen maken teneinde belastingplichtigen vanwege de coronacrisis tegemoet te komen. Kan een gemeente bivoorbeeld leges teruggeven die zijn geheven voor de aanvraag van vergunningen voor evenementen die niet doorgaan vanwege Corona, zo vraagt de auteur zich af.
H.J. Hofstra, Inleiding tot het Nederlands belastingrecht, p. 25–26, Deventer: Kluwer 1992, stelt dat het onderscheid tussen belastingen en rechten achterhaald is, gelet op de rechtsontwikkeling. De grenzen tussen beide begrippen zijn immers vervaagd, aangezien ook in de belastingheffing het profijtbeginsel zijn intrede heeft gedaan. Voorts is het element van de individueel bewezen dienst bij de retributies herhaaldelijk nauwelijks meer aanwezig, zoals bij de bouwleges, waar het vergunningenstelsel juist ten voordele strekt van anderen dan de vergunninghouder. Volgens Hofstra kan soms worden gesteld, dat de gepretendeerde individuele dienst deel uitmaakt van de normale (algemene) overheidszorg, zoals bijvoorbeeld de leges ten behoeve van een 'kale' huwelijkssluiting. De discussie omtrent het onderscheid lijkt tevens achterhaald, doordat door de provinciën, waterschappen en gemeenten geheven retributies juridisch voor belastingen worden gehouden. Hofstra komt zodoende via het begrip 'overheidsheffing' tot definiëring van een ruimer belastingbegrip.
De Commissie ter bestudering van het begrip belastingen, Bespreking van het rapport van de Commissie ter bestudering van het begrip 'belastingen' (Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap nr. 184), p. 33–34, Deventer: Kluwer 1990, concludeert dat voor de tot dusver gebruikelijke beperking van het belastingbegrip geen aanleiding bestaat, aangezien bij alle overheidsheffingen aan haar algemene kernmerken een dermate overwegende betekenis toekomt, dat verschillen daarbij in het niet vallen.
W.J.N.M. Snoijink, 'Retributie en individualiseerbare wederprestatie overheid', Belastingblad 2011, p. 67.
Vakstudie Lokale belastingen en milieuheffingen, art. 229 Gemw, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 03-05-2026
03-05-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m Belastingblad 2026/180; V-N 2026/16.17; BNB 2026/65
01-01-1994 tot: -
Vakstudie Lokale belastingen en milieuheffingen, art. 229 Gemw, aant. 1.1
Belastingen van lagere overheden / Gemeentelijke belastingen
Staatsrecht / Decentralisatie
Milieubelastingen (V)
gemeentelijke belastingen
Gemeentewet artikel 229
Beschouwing
De rechten worden in juridische zin voor belastingen worden gehouden (tweede lid), hoewel het in economische zin niet om echte belastingen gaat. Wat betreft de juridische betekenis van de rechten staat de tegenprestatie — in tegenstelling tot zuivere belastingen — centraal. Rechten zijn in die zin betalingen die de overheid krachtens algemene regelen vordert ter zake van een concrete door haar in haar functie als zodanig individueel bewezen dienst. Bij belastingen gaat het om gedwongen betalingen aan de overheid als zodanig, waar geen rechtstreekse individuele contraprestatie van de overheid tegenover staat en die krachtens algemene regelen worden geheven.
Een ruimer belastingbegrip is het begrip 'overheidsheffing', hetgeen werd geïntroduceerd naar aanleiding van de discussie over het al dan niet achterhaald zijn van de begrippen 'belastingen' en 'rechten'. Belastingen zijn dan 'betalingen die de overheid vordert op grond van een publiekrechtelijke regeling, uitsluitend of mede ter verwerving van inkomsten door de in die regeling aangewezen lichamen, en anders dan op grond van privaatrechtelijke overeenkomst, dwangmatig en overeenkomstig algemene regelen'.
Het toepassingsgebied van rechten is vanuit economisch perspectief niet gelijk aan dat van de echte belastingen.
Door de overheid worden namelijk tal van goederen geproduceerd, die in economische zin niet onder één noemer zijn te vatten. De overheid houdt zich in de eerste plaats bezig met de productie van collectieve goederen, die technisch niet zijn te splitsen in eenheden welke op een markt kunnen worden verhandeld (bijvoorbeeld 'algemeen bestuur'). Daarnaast houdt de overheid zich echter ook bezig met de productie van individuele goederen, we spreken dan van quasi-collectieve goederen. In andere gevallen spreken we van marktgoederen. Voor elk van de genoemde categorieën komt vanuit allocatief oogpunt in theorie een eigen bekostigingsvorm het meest in aanmerking. Marktgoederen worden bekostigd via prijzen, die via de markt tot stand komen. Quasi-collectieve goederen worden vooral via rechten bekostigd, zulks al dan niet kostendekkend. Hoewel bekostiging van deze voorzieningen in theorie via een prijsmechanisme zou kunnen plaatsvinden, omdat het in casu, net als bij marktgoederen, om individuele goederen gaat, vindt de bekostiging vrijwel steeds op publiekrechtelijke wijze plaats. De hoogte van de vergoeding wordt dan niet bepaald door vraag- en aanbodverhoudingen, evenmin als de hoeveelheden van de desbetreffende goederen of diensten.
Dat de in art. 229 Gemeentewet bedoelde rechten voor belastingen worden gehouden, heeft de volgende betekenis. Hoewel de wetgever door de woorden 'voor gemeentelijke belastingen worden gehouden' tot uitdrukking brengt dat het in casu niet om echte belastingen (in economische zin) gaat, bereikt hij daarmee wel dat de bedoelde rechten in formeel-juridische zin met belastingen worden gelijkgesteld. Dat betekent dat voor de rechten van art. 229 dezelfde wettelijke voorschriften gelden als voor de overige gemeentelijke belastingen. Rechten worden derhalve geheven krachtens een door de gemeenteraad vastgestelde belastingverordening welke aan de in art. 217 Gemeentewet bedoelde vereisten moet voldoen. Op de heffing en de invordering van de rechten, bedoeld in art. 229, zijn de bepalingen van de AWR en de Invorderingswet 1990 op overeenkomstige wijze van toepassing als op de gemeentelijke belastingen.
Recentelijk is de verduurzaming van de lokale belastingen onderwerp van discussie. Ook voor de de rechten bestaan in dit verband mogelijkheden voor duurzame alternatieven. "Groene leges" (een korting op of vrijstelling van de leges bij de vergunningsaanvraag van een bouwwerk dat aan bepaalde duurzaamheidscriteria voldoet) kan een belangrijke bijdrage leveren aan de transitie in de bouw omdat de leges een kostenverzwarend element zijn bij het oprichten van een bouwwerk. Zie in dit verband o.a. aant. 13A.1 e.v..
Tenslotte zullen per 1 januari 2024 de nieuwe Omgevingswet, samen met de Wet Kwaliteitsborging Bouw, ingrijpende gevolgen hebben voor de legesheffing door gemeenten. Zie in dit verband aant. 13K.1.
M.P. van der Burg e.a., Compendium gemeentelijke belastingen en de Wet woz, Deventer: Wolters Kluwer 2023 (dertiende druk), p. 562, geven aan dat het moeilijk is de afzonderlijke rechten naar de opsomming in artikel 229, eerste lid, van de Gemeentewet in te delen en te benoemen als ofwel gebruiks-, danwel genotsrechten. Veelal hebben de rechten een gemengd karakter.
P. van den Berg, 'Gevolgen Omgevingswet voor de leges', Belastingblad 2022/307, gaat in op enkele belangrijke gevolgen van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) voor de legesheffing door decentrale overheden. Gemeenten gaan hun regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk samen in één regeling (Omgevingsplan) waarbij zij meer vrijheid krijgen dan voorheen. De beleidskeuzes die lokaal worden gemaakt, hebben belangrijke gevolgen voor de legesheffing. Niet voor alle instrumenten is namelijk legesheffing mogelijk. Voor het behandelen van aanvragen voor vergunningen of maatwerkvoorschriften wel, maar voor het verwerken van informatie (bij een informatieplicht) of het afhandelen van een melding (bij een meldingsplicht) niet. Dit hangt samen met het feit dat legesheffing alleen mogelijk is voor gemeentelijke dienstverlening.
A.W. Schep, 'Inventarisatie tegemoetkoming lokale belastingen in verband met Corona', Belastingblad 2020/162, gaat in op diverse keuzes die gemeenten kunnen maken teneinde belastingplichtigen vanwege de coronacrisis tegemoet te komen. Kan een gemeente bivoorbeeld leges teruggeven die zijn geheven voor de aanvraag van vergunningen voor evenementen die niet doorgaan vanwege Corona, zo vraagt de auteur zich af.
H.J. Hofstra, Inleiding tot het Nederlands belastingrecht, p. 25–26, Deventer: Kluwer 1992, stelt dat het onderscheid tussen belastingen en rechten achterhaald is, gelet op de rechtsontwikkeling. De grenzen tussen beide begrippen zijn immers vervaagd, aangezien ook in de belastingheffing het profijtbeginsel zijn intrede heeft gedaan. Voorts is het element van de individueel bewezen dienst bij de retributies herhaaldelijk nauwelijks meer aanwezig, zoals bij de bouwleges, waar het vergunningenstelsel juist ten voordele strekt van anderen dan de vergunninghouder. Volgens Hofstra kan soms worden gesteld, dat de gepretendeerde individuele dienst deel uitmaakt van de normale (algemene) overheidszorg, zoals bijvoorbeeld de leges ten behoeve van een 'kale' huwelijkssluiting. De discussie omtrent het onderscheid lijkt tevens achterhaald, doordat door de provinciën, waterschappen en gemeenten geheven retributies juridisch voor belastingen worden gehouden. Hofstra komt zodoende via het begrip 'overheidsheffing' tot definiëring van een ruimer belastingbegrip.
De Commissie ter bestudering van het begrip belastingen, Bespreking van het rapport van de Commissie ter bestudering van het begrip 'belastingen' (Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap nr. 184), p. 33–34, Deventer: Kluwer 1990, concludeert dat voor de tot dusver gebruikelijke beperking van het belastingbegrip geen aanleiding bestaat, aangezien bij alle overheidsheffingen aan haar algemene kernmerken een dermate overwegende betekenis toekomt, dat verschillen daarbij in het niet vallen.
W.J.N.M. Snoijink, 'Retributie en individualiseerbare wederprestatie overheid', Belastingblad 2011, p. 67.
Aant. 1.1.1 Wijzigingen per 1995