T&C Rv, commentaar op titel 6 Rv:Inleidende opmerkingen
T&C Rv, commentaar op titel 6 Rv
Inleidende opmerkingen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
R.Y. Nauta, actueel t/m 01-03-2026
Actueel t/m
01-03-2026
Tijdvak
01-01-1998 tot: -
Auteur
R.Y. Nauta
Vindplaats
T&C Rv, commentaar op titel 6 Rv
Vakgebied(en)
Corona (V)
Onbekend (V)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Personen- en familierecht / Familieprocesrecht
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Sinds de herziening van het procesrecht in personen- en familiezaken bij de Wet van 7 juli 1994, Stb. 570 (inwerkingtreding 1 april 1995, Stb. 774) regelt deze titel in ruim 30 artikelen de processuele gang van zaken voor de op Boek 1 BW gebaseerde procedures voor zover deze van de algemene regeling afwijkt.
b. Algemene regeling
Procedures in familiezaken zijn verzoekschriftprocedures waarvoor geldt de algemene regeling voor zaken ingeleid met een verzoekschrift, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit (art. 261). De verzoekschriftprocedure in eerste aanleg is sinds 1 januari 2002 (wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 580) opgenomen in de Derde titel van het Eerste boek Rv (art. 261-291), appel staat in de Vierde afdeling van de Zevende titel van het Eerste boek Rv (art. 358-362) en cassatie in de Vijfde afdeling van de Elfde titel van het Eerste boek Rv (art. 426-429). Via schakelbepaling art. 362 zijn gedeelten van de Derde titel eveneens van toepassing in hoger beroep. In cassatie verklaart art. 428a alleen art. 284 (wettelijk bewijsrecht) van overeenkomstige toepassing.
c. Bijzondere regeling
Naast de algemene bepalingen uit het Eerste boek, gelden voor familiezaken de bijzondere regels uit de Zesde titel van het Derde boek, die twee afdelingen kent: de Eerste afdeling (art. 798-813) bevat algemene bepalingen die op alle familiezaken van toepassing zijn met uitzondering van de scheidingszaken, die apart in de Tweede afdeling worden geregeld (art. 815-828). Overigens gelden de bepalingen van de Eerste afdeling gedeeltelijk ook voor scheidingszaken. Deze laatste categorie moet men ruim zien: niet alleen de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed en de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed staan hier geregeld, maar ook de ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Zie aant. 2 voor de aanbevolen werkwijze bij de raadpleging van deze titel.
d. Altijd verzoekschriftprocedure?
Blijkens art. 261 lid 2 worden met een verzoekschrift ingeleid de zaken ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit (formeel criterium). Wettelijke indicaties zijn woorden als ‘verzoek’, ‘verzoekschrift’ en ‘verzoeken’, zij het dat daar niet altijd op kan worden afgegaan. Zo is in art. 31 en 32 (over de verbetering en de aanvulling van een uitspraak) niet bedoeld dat het verzoek bij verzoekschrift wordt gedaan. Een aantal artikelen van Boek 1 BW verwijst (in)direct naar de dagvaardingsprocedure (bijvoorbeeld art. 1:164 lid 2 en art. 1:174 lid 2 BW). Aangezien de wetgever nergens op de ratio van deze uitzonderingen ingaat, maar hij wel expliciet de eenvormigheid van de familierechtelijke procedures nastreeft (MvT, Kamerstukken II 1991/92, 22487, 3, p. 2) mag aangenomen worden dat in deze gevallen de verzoekschriftprocedure gevolgd moet worden. In zaken van levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 BW, is daarom het volgen van de verzoekschriftprocedure dwingend voorgeschreven, ook indien tussen partijen een alimentatieovereenkomst is gesloten (HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8125, NJ 2003/467). De lijn dat familiezaken altijd met een verzoekschrift behoren te beginnen is ook voor het OM doorgetrokken. Art. 43 lid 1 bepaalt in dat verband dat wanneer het OM als partij optreedt, de inleiding en de behandeling van de zaak geschieden volgens de gewone regels, voor zover daarvan in dit artikel niet is afgeweken.
e. Procesreglementen
De rechtspleging in het personen- en familierecht wordt niet alleen door de wettelijke regelingen van de verzoekschriftprocedure geregeerd, maar ook door een aantal procesreglementen. Deze vinden hun oorsprong in een project van het Programma Versterking Rechterlijke Organisatie (PVRO) en worden nu geïnitieerd en onderhouden vanuit het Landelijk Overleg van Voorzitters van Familie- en Jeugdrechtsectoren en -units (LOVF). De bevoegdheid tot vaststelling van procesreglementen ligt bij de gerechtsvergadering. Landelijke gelding wordt bereikt door vaststelling van dezelfde tekst door alle gerechtsvergaderingen van de rechtbanken dan wel de gerechtshoven (HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:824, NJ 2024/71). Tegenwoordig kent de rechtbank zes verschillende procesreglementen familie- en jeugdrecht. Omdat deze periodiek worden aangepast, kunnen ze de laatste ontwikkelingen meenemen, zoals wijzigingen als gevolg van de (gedeeltelijke) invoering van digitaal procederen. De reglementen 1 t/m 5 zijn laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 januari 2026 (Stcrt. 2025, 39875). Het reglement Wvggz en Wzd is gewijzigd per 1 juli 2025 (Stcrt. 2025, 20714):
Raadpleeg voor verzoekschriften inzake curatele, bewind en mentorschap het Landelijk procesreglement CBM-verzoeken, dat op 1 juli 2024 in werking is getreden en laatstelijk is gewijzigd per 1 januari 2026 (Stcrt. 2025, 39143). Tot die datum gold voor deze zaken het Landelijk procesreglement verzoekschriften rechtbanken, kanton, versie 1 februari 2022 (Stcrt. 2024, 19451). Voor de hoven bestond sinds 1 januari 2000 het Uniform reglement voor rekestprocedures in familiezaken, dat in 2019 is vervangen door het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, laatstelijk gewijzigd per 1 januari 2026 (Stcrt. 2025, 40002). Een dergelijk reglement is recht in de zin van art. 79 RO (HR 23 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2327, NJ 2004/350). Het moet echter wel behoorlijk bekendgemaakt zijn. Aan deze eis wordt voldaan, aangezien de tekst van de procesreglementen wordt gepubliceerd in de Staatscourant (www.overheid.nl). De meest actuele versies zijn bovendien te vinden op www.rechtspraak.nl onder het kopje: Professionals/Reglementen en procedures. Verder zijn er grenzen aan hetgeen in een procesreglement kan worden bepaald. Eventuele sancties op de niet-naleving van bepalingen in een procesreglement, zoals een niet-ontvankelijkverklaring vanwege het niet-tijdig in appel overleggen van stukken, moeten terug te voeren zijn op een wettelijke bepaling (HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5752, NJ 2005/481). De reglementen zijn landelijk. Daarnaast hebben de gerechten zelf aanvullende/afwijkende procedures en regelingen. Bekijk daarom altijd de regels en procedures van het gerecht waar de zaak dient. Verder zijn bij bepaalde rechtbanken de afgelopen jaren pilots met een experimentele rechtsgang gehouden om te onderzoeken hoe de rechtsgang kan worden verbeterd. Deze op art. 96 Rv gebaseerde pilots zijn echter beperkt tot zaken waarin de rechtsgevolgen door partijen zelf mogen worden bepaald, zodat gewoonlijk familierechtelijke procedures van deelname zijn uitgesloten. De op 1 april 2023 ingevoerde Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging (Stb. 2020, 223; Stb. 2023, 70) voorziet in de mogelijkheid om ook in dit soort zaken te experimenteren, waarbij de wetgever met name denkt aan de scheidingsprocedure en geschillen tussen ouders over hun kinderen (MvT, Kamerstukken II 2018/19, 35263, 3, p. 2 en 27-28). Geleidelijk wordt per rechtsgebied/arrondissement digitaal procederen ingevoerd, zodat dit nu bijvoorbeeld mogelijk is in civiele jeugdrechtzaken en gezag- en omgangszaken bij alle rechtbanken. Zie verder de bijlagen bij de verschillende procesreglementen. Advocaten dienen via het webportaal 'Mijn Rechtspraak' een nieuwe zaak in. Ook kunnen zij de in het digitale dossier opgenomen stukken inzien (zie Rechtspraak.nl). In zaken betreffende curatele, onderbewindstelling en mentorschap is per 1 januari 2025 voor professionele wettelijke vertegenwoordigers de verplichting ingevoerd om elektronisch te communiceren met de kantonrechter (Besluit van 19 december 2024, Stb. 2024, 444).
f. Elektronisch familiejournaal
Dit is een kosteloze service voor advocaten en medewerkers van advocatenkantoren, waarmee zij met de rechtbank kunnen communiceren en online inzage kunnen krijgen in de actuele stand van familiezaken van het eigen kantoor. Zichtbaar zijn alle familieverzoeken met uitzondering van Wvggz/Bopz-verzoeken, Wet tijdelijk huisverbod-zaken, uithuisplaatsingen en ondertoezichtstellingen. Voor deze zaken bestaat een apart kanaal voor het uitwisselen van (proces)stukken en berichten waarover in het kader van de Collectieve Opdracht Routeer Voorziening afspraken zijn gemaakt (zie art. 1.4Procesreglement civiel jeugdrecht). Vanaf 1 mei 2011 is het gebruik van zogenaamde F-formulieren verplicht en communiceert de rechtbank alleen nog per brief als dat in de procesreglementen is vastgelegd (zie bijvoorbeeld art. 5.3 e.v. Procesreglement alimentatie en bijstandsverhaal). Slechts ontvangstbevestigingen van de indiening van een verzoekschrift, oproepen voor de zitting en beschikkingen worden nog per post verzonden. Alle overige communicatie vanuit de rechtbank verloopt via het familiejournaal. Om toegang te krijgen dient de advocaat te beschikken over een Balienetcertificaat, dat kosteloos kan worden aangevraagd via www.advocatenorde.nl/certificaat. Bij de hoven kent men een vergelijkbaar systeem, het rekestenjournaal met het V-formulier.
2. Algemeen versus bijzonder
a. Algemeen
Afwijkingen van en aanvullingen op de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure staan wat betreft de familierechtelijke verzoekschriftprocedures in het Derde Boek. Voor zover art. 798-828 geen bijzondere voorschriften bevatten, gelden de gewone regels uit het Eerste Boek. Dat betekent dat de procesregels die in concreto op een zaak van toepassing zijn, vrijwel altijd zijn samengesteld uit algemene en bijzondere voorschriften.
b. Aanbevolen werkwijze
Raadpleeg eerst de relevante bijzondere regels van de onderhavige titel. Geven deze geen antwoord op bepaalde processuele vragen, kijk dan in art. 261-291 en, waar nodig, ook in de bepalingen van de Negende afdeling van de Tweede titel van het Eerste boek Rv (over het wettelijk bewijsrecht), voor zover die van overeenkomstige toepassing zijn (art. 284).
c. Voorbeeld
Art. 816 bevat bijzondere regels voor het indienen van een verweerschrift in scheidingszaken, terwijl art. 801 nadere voorschriften geeft voor het verweerschrift in zaken van levensonderhoud. Voor alle andere zaken gelden onverkort de voorschriften van art. 282. Wat betreft het horen van getuigen en het inschakelen van deskundigen bevat de Zesde titel van het Derde boek vrijwel geen bijzondere voorschriften (met uitzondering van de contra-expertise in zaken betreffende minderjarigen, art. 810a). Dit betekent dat men in dat geval de algemene regels van het bewijsrecht (art. 149-207) moet hanteren die in art. 284 van overeenkomstige toepassing worden verklaard, tenzij de aard van de zaak zich ertegen verzet. Het antwoord op de vraag of een kind tegen bijvoorbeeld zijn scheidende ouders zou moeten getuigen, is hier eveneens te vinden (zie art. 165 lid 2). Kortom: de hierna te bespreken bijzondere regels moeten worden toegepast in samenhang met de algemene regels.
d. In beroep
Indien bijvoorbeeld art. 807, 811 lid 3 of art. 824 niet aan hoger beroep in de weg staan, kan volgens de algemene regeling van art. 358 hoger beroep van een eindbeschikking worden ingesteld door de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden binnen drie kalendermaanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Andere belanghebbenden kunnen hoger beroep instellen binnen drie maanden nadat de beschikking hen is betekend of nadat deze hen op andere wijze bekend is geworden. Let echter op de van art. 358 afwijkende art. 806 en 820. Tussentijds hoger beroep van een tussenbeschikking is in de regel slechts mogelijk als de rechter dat heeft bepaald in de tussenbeschikking of als hij zich onbevoegd heeft verklaard; zie verder art. 806, aant. 1 onder a. Anders kan van een tussenbeschikking alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijk met dat van een eindbeschikking, provisionele tussenbeschikkingen uitgezonderd. Incidenteel hoger beroep kan worden ingesteld bij verweerschrift, ook na het verstrijken van de appeltermijn of berusting (art. 358 lid 5), maar uiteraard niet later dan het tijdstip waarop het verweerschrift moet zijn ingediend. Iedere belanghebbende kan een verweerschrift indienen. Voor de opgeroepen belanghebbenden geldt een termijn van vier weken te rekenen vanaf de toezending van het afschrift van het beroepschrift, tenzij de rechter anders bepaalt; eenzelfde termijn geldt voor het verweer tegen een incidenteel beroep (art. 361 lid 3 en 4). In het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven wordt uitgegaan van een termijn van zes weken (art. 1.3.2); maar in niet-financiële en spoedeisende financiële zaken kan een kortere termijn worden gehanteerd, zoals in Jeugdzaken met een driewekentermijn (art. 2.4.5). Het hoger beroep heeft schorsende werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Niettegenstaande een dergelijke verklaring kan de appelrechter op verzoek of ambtshalve de schorsing van de werking bevelen. Hij kan overigens ook alsnog de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren (art. 360). De regels voor de behandeling van een verzoekschrift in eerste aanleg gelden in beginsel eveneens voor de behandeling in hoger beroep (art. 362); maar zie voor de indiening en de inhoud van een beroepschrift ook art. 359; art. 285 inzake de verwijzing en voeging van zaken is in hoger beroep niet van toepassing; voorts mag, anders dan in eerste aanleg (zie art. 282 lid 4), het verweerschrift geen zelfstandig verzoek bevatten. De devolutieve werking van het hoger beroep geldt ook in verzoekschriftprocedures (HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7378, NJ 2003/655). In eerste aanleg had de man een draagkracht-verweer gevoerd. Maar de rechtbank kwam aan de behandeling daarvan niet toe, omdat zij van oordeel was dat er geen behoefte was aan de zijde van de vrouw. In hoger beroep had het hof het verweer van de man in eerste aanleg in zijn beslissing moeten betrekken (HR 20 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4807, NJ 2011/239; zie ook HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0002, NJ 2011/502). Zie voor beroep in cassatie art. 426-429.
3. Bevoegde rechter
a. Algemeen; drie deelvragen
De vraag welke rechter bevoegd is om van de zaak kennis te nemen valt, als eenmaal vaststaat dat dit een burgerlijke rechter is, in drie deelvragen op te splitsen:
i.
rechtsmacht;
ii.
absolute bevoegdheid; en
iii.
relatieve bevoegdheid.
b. Rechtsmacht
In hoeverre komt aan een Nederlandse rechter de bevoegdheid toe om zaken met een internationaal karakter of van buitenlandse oorsprong te berechten? Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van het recht dat geldt ten tijde van het aanhangig maken van de procedure in eerste aanleg (zie voor het tijdstip van aanhangigheid van verzoekschriftprocedures, art. 278 lid 4 en 69 lid 1 tweede volzin). Is de Nederlandse rechter eenmaal bevoegd, dan kan daarin tijdens de procedure geen verandering meer komen (het zogenaamde perpetuatio-foribeginsel), zie HR 19 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2785, NJ 2004/295. Uitdrukkelijk heeft de wetgever de internationale bevoegdheid losgekoppeld van de relatieve bevoegdheid (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 10). De rechter is gehouden zijn rechtsmacht ambtshalve te onderzoeken (bevestigd in HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077). De rechtsmacht van de Nederlandse rechter in internationale familiezaken wordt vooral beheerst door regels van supranationale herkomst die voorgaan op de Nederlandse regeling. Voor het familierecht zijn in het bijzonder van belang:
de Alimentatieverordening (Verordening (EG) 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, PbEG 2009, L 7/1).
Ook is Nederland partij bij tal van verdragen op het terrein van het personen-, familie- en jeugdrecht. Pas indien een zaak niet valt binnen het toepassingsgebied van enig verdrag of van enige verordening van de Europese Unie, komen de bepalingen uit de Eerste afdeling van de Eerste titel van het Eerste boek Rv voor toepassing in aanmerking (art. 1). De in art. 3 neergelegde algemene regeling van de rechtsmacht voor verzoekschriftprocedures kent twee belangrijke uitzonderingen: de zaken bedoeld in art. 4 (scheidingszaken en daaraan verbonden voorlopige en bewarende maatregelen en nevenvoorzieningen) en die in art. 5 (betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid). Maar deze uitzonderingen kunnen weer opzij gezet worden door (later ingevoerd) supranationaal recht. Zo werd de rechtsmacht van de Nederlandse echtscheidingsrechter om een voorlopige of bewarende maatregel of nevenvoorziening inzake huwelijksvermogensrecht te treffen, uitsluitend beheerst door art. 4 lid 2 en 3 Rv. Hieraan kwam voor achttien EU-lidstaten, waaronder Nederland, op 29 januari 2019 een einde door de inwerkingtreding van de Verordening Huwelijksvermogensstelsels (Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (PbEU 2016, L 183/1-29)). Forumkeuze is mogelijk, maar alleen met betrekking tot een bepaalde rechtsbetrekking die ter vrije bepaling van partijen staat (art. 8). In het familierecht kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het huwelijksvermogensrecht en de alimentatie. Leiden voorgaande bepalingen niet naar een bevoegde rechter, dan kan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomen op grond van art. 9 (zoals in Hof Den Haag 12 januari 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BP9606, waar het voor de vader onmogelijk bleek een procedure tot vaststelling van een omgangsregeling in het buitenland aanhangig te maken, omdat noch de gewone, noch de werkelijke verblijfplaats van (de vrouw en) de minderjarige bekend waren). Zie voor het begrip 'gewone verblijfplaats': HR 25 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:440, NJ 2022/143.
c. Absolute bevoegdheid
De tweede deelvraag betreft de absolute bevoegdheid: welke rechter is hiërarchisch gezien bevoegd? Art. 42 RO vormt hier het uitgangspunt. Bevoegd is in principe de rechtbank, tenzij de wet een andere bevoegde rechter aanwijst.
Binnen de rechtbank kan een familiezaak dienen voor de rechtbank zelf (in de regel voor een enkelvoudige kamer, art. 15) of voor de kantonrechter (art. 47 RO). Bij de herschikking van de bevoegdheidsverdeling tussen rechtbank en kantonrechter (wet van 22 november 2006, Stb. 2006, 589; i.w.tr. 1 mei 2007, Stb. 2007, 110) is als uitgangspunt genomen dat in zaken die de persoon betreffen en in zaken betreffende het gezag de rechtbank de absoluut bevoegde rechter is. De zaken die het vermogen betreffen en meer materieel van aard zijn worden behandeld door de kantonrechter. Behoudens een enkele uitzondering zijn dit uit Boek 1 BW de zaken betreffende curatele (Titel 16 Boek 1 BW; uitzondering art. 1:378 lid 3 BW bij Wvggz/Bopz-zaak), handlichting (Titel 13 Afd. 2 Boek 1 BW), bewind in geval van afwezigheid en vermissing (Titel 18 Boek 1 BW), alsmede bewind en mentorschap van meerderjarigen (Titel 19 en 20 Boek 1 BW). Daarnaast zijn het bijvoorbeeld verzoeken om vervangende toestemming (art. 1:253a BW) of om een bevel tot boedelbeschrijving (art. 1:136 BW). Wijst de wet geen andere rechter aan en is derhalve de rechtbank bevoegd, maar gaat het om een ‘zaak betreffende minderjarigen’, dan zal op grond van art. 808 deze door de kinderrechter worden behandeld. De kinderrechter is de in art. 53 RO aangegeven enkelvoudige kamer van de rechtbank die voor het behandelen en beslissen van kinderzaken is ingesteld.
d. Relatieve bevoegdheid
De derde deelvraag gaat over de relatieve bevoegdheid: welke rechter is geografisch gezien bevoegd? De relevante bepalingen staan in de Tweede afdeling van de Derde titel van het Eerste boek. Volgens de hoofdregel is bevoegd de rechter van de woonplaats, of bij gebreke van een bekende woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van (één van) de verzoeker(s) of van één van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbende(n) (zie art. 262, aant. 2-4). Het gaat hier om een alternatief forum, zodat verzoeker kan kiezen. De overige bepalingen van die afdeling beogen geen alternatieve bevoegdheid te geven, maar een specifieke bevoegdheid. Voor zaken betreffende de registers van de burgerlijke stand regelt art. 263 de bevoegdheid. Het moet dan wel uitsluitend gaan om de wijziging in de registers. Procedures die mede leiden tot een aanpassing in de registers van de burgerlijke stand, zoals de procedure tot vaststelling van het vaderschap, vallen niet onder het bereik van dit artikel (zie art. 263). Op grond van art. 265 is in zaken betreffende minderjarigen altijd de rechter van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijke verblijf van de minderjarige relatief bevoegd. Ingevolge art. 1:12 lid 1 BW heeft de minderjarige een afgeleide woonplaats: hij volgt de woonplaats van hem, die het gezag over hem uitoefent (zie art. 265). In zaken betreffende curatele, onderbewindstelling of mentorschap geldt de specifieke bevoegdheidsregeling van art. 266. Opgemerkt zij dat de afgeleide woonplaatsregel van art. 1:12 BW in geval van een reeds uitgesproken ondercuratelestelling, onderbewindstelling of mentorschap, niet geldt ten aanzien van de relatieve competentie (art. 1:12 lid 4 BW). Ook dan moet uitgegaan worden van de woonplaats respectievelijk het werkelijk verblijf van betrokkene zelf. Verhuist bijvoorbeeld de meerderjarige van wie op de voet van art. 1:431 BW een of meer goederen onder bewind zijn gesteld naar een gemeente die onder de bevoegdheid van een andere rechtbank valt, dan is de oorspronkelijke kantonrechter niet langer bevoegd en dient het dossier te worden overgedragen aan de wel bevoegde kantonrechter (zie Aanbevelingen meerderjarigenbewind, curatele en mentorschap, vastgesteld op 3 april 2025 door het Landelijk Overleg Vakinhoud Toezicht (LOVT)). Het staat de kantonrechter vrij hiervan in bijzondere gevallen af te wijken, aldus Hof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3163. Zie voor zaken van afwezigheid of vermissing of voor de vaststelling van overlijden art. 267. Voor zaken betreffende nalatenschappen geldt art. 268. Art. 269 vormt het sluitstuk en wijst de rechter te Den Haag als subsidiair bevoegde rechter aan. De rechter toetst ambtshalve zijn bevoegdheid. Het oorspronkelijke art. 270 lid 1 droeg de rechter op alleen de zaak te verwijzen indien een of meer opgeroepen belanghebbenden niet in de procedure waren verschenen of een van de verschenen belanghebbenden zijn bevoegdheid betwistte: een stilzwijgende forumkeuze was dus mogelijk. Thans staat echter de ambtshalve toetsing voorop, waarbij niet ter zake doet of belanghebbenden in de procedure zijn verschenen en of ze de bevoegdheid van de rechter hebben betwist. De slotzin van het gewijzigde art. 270 lid 1 biedt partijen de mogelijkheid om bij de relatief onbevoegde rechter te blijven: zij zullen dan moeten te kennen geven dat zij geen verwijzing wensen (MvT, Kamerstukken II 2002/03, 28863, 3, p. 9). Ingevolge art. 270 lid 2 geldt in scheidingszaken dat verwijzing alleen plaatsvindt, indien de andere echtgenoot of geregistreerde partner de bevoegdheid betwist. Een scheidingszaak die bij een relatief onbevoegde rechter is aangebracht, zal derhalve niet worden verwezen als de andere echtgenoot of geregistreerde partner niet in de procedure verschijnt of wel verschijnt zonder de relatieve bevoegdheid te betwisten. Hierdoor wordt de bestaande praktijk, inhoudende dat met name in scheidingszaken soms om redenen van privacy van de betrokkenen de zaak, met instemming van die betrokkenen, in een ander arrondissement wordt aangebracht dan dat waar de echtgenoten of geregistreerde partners wonen, in stand gelaten (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 439-440). Om vertraging van de procedure te voorkomen, bepaalt art. 270 lid 3 dat geen hogere voorziening is toegelaten tegen een beslissing waarbij een betwisting van bevoegdheid wordt verworpen of de zaak (al dan niet na betwisting van bevoegdheid) naar een andere rechter wordt verwezen. Het rechtsmiddelenverbod geldt evenzeer indien de rechter op de voet van het eerste lid ambtshalve heeft geoordeeld dat hij relatief bevoegd is (HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1770, NJ 2023/53). Volgens vaste jurisprudentie kan in bepaalde gevallen dit verbod worden doorbroken (zie daarvoor art. 807, aant. 2 onder b).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
T&C Rv, commentaar op titel 6 Rv
Inleidende opmerkingen
R.Y. Nauta, actueel t/m 01-03-2026
01-03-2026
01-01-1998 tot: -
R.Y. Nauta
T&C Rv, commentaar op titel 6 Rv
Corona (V)
Onbekend (V)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Personen- en familierecht / Familieprocesrecht
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Voorlopig (V)
corona
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering titel 6
1. Reikwijdte Zesde titel
a. Inhoud
Sinds de herziening van het procesrecht in personen- en familiezaken bij de Wet van 7 juli 1994, Stb. 570 (inwerkingtreding 1 april 1995, Stb. 774) regelt deze titel in ruim 30 artikelen de processuele gang van zaken voor de op Boek 1 BW gebaseerde procedures voor zover deze van de algemene regeling afwijkt.
b. Algemene regeling
Procedures in familiezaken zijn verzoekschriftprocedures waarvoor geldt de algemene regeling voor zaken ingeleid met een verzoekschrift, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit (art. 261). De verzoekschriftprocedure in eerste aanleg is sinds 1 januari 2002 (wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 580) opgenomen in de Derde titel van het Eerste boek Rv (art. 261-291), appel staat in de Vierde afdeling van de Zevende titel van het Eerste boek Rv (art. 358-362) en cassatie in de Vijfde afdeling van de Elfde titel van het Eerste boek Rv (art. 426-429). Via schakelbepaling art. 362 zijn gedeelten van de Derde titel eveneens van toepassing in hoger beroep. In cassatie verklaart art. 428a alleen art. 284 (wettelijk bewijsrecht) van overeenkomstige toepassing.
c. Bijzondere regeling
Naast de algemene bepalingen uit het Eerste boek, gelden voor familiezaken de bijzondere regels uit de Zesde titel van het Derde boek, die twee afdelingen kent: de Eerste afdeling (art. 798-813) bevat algemene bepalingen die op alle familiezaken van toepassing zijn met uitzondering van de scheidingszaken, die apart in de Tweede afdeling worden geregeld (art. 815-828). Overigens gelden de bepalingen van de Eerste afdeling gedeeltelijk ook voor scheidingszaken. Deze laatste categorie moet men ruim zien: niet alleen de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed en de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed staan hier geregeld, maar ook de ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Zie aant. 2 voor de aanbevolen werkwijze bij de raadpleging van deze titel.
d. Altijd verzoekschriftprocedure?
Blijkens art. 261 lid 2 worden met een verzoekschrift ingeleid de zaken ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit (formeel criterium). Wettelijke indicaties zijn woorden als ‘verzoek’, ‘verzoekschrift’ en ‘verzoeken’, zij het dat daar niet altijd op kan worden afgegaan. Zo is in art. 31 en 32 (over de verbetering en de aanvulling van een uitspraak) niet bedoeld dat het verzoek bij verzoekschrift wordt gedaan. Een aantal artikelen van Boek 1 BW verwijst (in)direct naar de dagvaardingsprocedure (bijvoorbeeld art. 1:164 lid 2 en art. 1:174 lid 2 BW). Aangezien de wetgever nergens op de ratio van deze uitzonderingen ingaat, maar hij wel expliciet de eenvormigheid van de familierechtelijke procedures nastreeft (MvT, Kamerstukken II 1991/92, 22487, 3, p. 2) mag aangenomen worden dat in deze gevallen de verzoekschriftprocedure gevolgd moet worden. In zaken van levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 BW, is daarom het volgen van de verzoekschriftprocedure dwingend voorgeschreven, ook indien tussen partijen een alimentatieovereenkomst is gesloten (HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8125, NJ 2003/467). De lijn dat familiezaken altijd met een verzoekschrift behoren te beginnen is ook voor het OM doorgetrokken. Art. 43 lid 1 bepaalt in dat verband dat wanneer het OM als partij optreedt, de inleiding en de behandeling van de zaak geschieden volgens de gewone regels, voor zover daarvan in dit artikel niet is afgeweken.
e. Procesreglementen
De rechtspleging in het personen- en familierecht wordt niet alleen door de wettelijke regelingen van de verzoekschriftprocedure geregeerd, maar ook door een aantal procesreglementen. Deze vinden hun oorsprong in een project van het Programma Versterking Rechterlijke Organisatie (PVRO) en worden nu geïnitieerd en onderhouden vanuit het Landelijk Overleg van Voorzitters van Familie- en Jeugdrechtsectoren en -units (LOVF). De bevoegdheid tot vaststelling van procesreglementen ligt bij de gerechtsvergadering. Landelijke gelding wordt bereikt door vaststelling van dezelfde tekst door alle gerechtsvergaderingen van de rechtbanken dan wel de gerechtshoven (HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:824, NJ 2024/71). Tegenwoordig kent de rechtbank zes verschillende procesreglementen familie- en jeugdrecht. Omdat deze periodiek worden aangepast, kunnen ze de laatste ontwikkelingen meenemen, zoals wijzigingen als gevolg van de (gedeeltelijke) invoering van digitaal procederen. De reglementen 1 t/m 5 zijn laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 januari 2026 (Stcrt. 2025, 39875). Het reglement Wvggz en Wzd is gewijzigd per 1 juli 2025 (Stcrt. 2025, 20714):
het Procesreglement scheiding;
het Procesreglement alimentatie en bijstandsverhaal;
het Procesreglement gezag en omgang;
het Procesreglement adoptie en overige (Boek 1)zaken;
het Procesreglement Civiel Jeugdrecht;
het Procesreglement Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en Wet zorg en dwang.
Raadpleeg voor verzoekschriften inzake curatele, bewind en mentorschap het Landelijk procesreglement CBM-verzoeken, dat op 1 juli 2024 in werking is getreden en laatstelijk is gewijzigd per 1 januari 2026 (Stcrt. 2025, 39143). Tot die datum gold voor deze zaken het Landelijk procesreglement verzoekschriften rechtbanken, kanton, versie 1 februari 2022 (Stcrt. 2024, 19451). Voor de hoven bestond sinds 1 januari 2000 het Uniform reglement voor rekestprocedures in familiezaken, dat in 2019 is vervangen door het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, laatstelijk gewijzigd per 1 januari 2026 (Stcrt. 2025, 40002). Een dergelijk reglement is recht in de zin van art. 79 RO (HR 23 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2327, NJ 2004/350). Het moet echter wel behoorlijk bekendgemaakt zijn. Aan deze eis wordt voldaan, aangezien de tekst van de procesreglementen wordt gepubliceerd in de Staatscourant (www.overheid.nl). De meest actuele versies zijn bovendien te vinden op www.rechtspraak.nl onder het kopje: Professionals/Reglementen en procedures. Verder zijn er grenzen aan hetgeen in een procesreglement kan worden bepaald. Eventuele sancties op de niet-naleving van bepalingen in een procesreglement, zoals een niet-ontvankelijkverklaring vanwege het niet-tijdig in appel overleggen van stukken, moeten terug te voeren zijn op een wettelijke bepaling (HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5752, NJ 2005/481). De reglementen zijn landelijk. Daarnaast hebben de gerechten zelf aanvullende/afwijkende procedures en regelingen. Bekijk daarom altijd de regels en procedures van het gerecht waar de zaak dient. Verder zijn bij bepaalde rechtbanken de afgelopen jaren pilots met een experimentele rechtsgang gehouden om te onderzoeken hoe de rechtsgang kan worden verbeterd. Deze op art. 96 Rv gebaseerde pilots zijn echter beperkt tot zaken waarin de rechtsgevolgen door partijen zelf mogen worden bepaald, zodat gewoonlijk familierechtelijke procedures van deelname zijn uitgesloten. De op 1 april 2023 ingevoerde Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging (Stb. 2020, 223; Stb. 2023, 70) voorziet in de mogelijkheid om ook in dit soort zaken te experimenteren, waarbij de wetgever met name denkt aan de scheidingsprocedure en geschillen tussen ouders over hun kinderen (MvT, Kamerstukken II 2018/19, 35263, 3, p. 2 en 27-28). Geleidelijk wordt per rechtsgebied/arrondissement digitaal procederen ingevoerd, zodat dit nu bijvoorbeeld mogelijk is in civiele jeugdrechtzaken en gezag- en omgangszaken bij alle rechtbanken. Zie verder de bijlagen bij de verschillende procesreglementen. Advocaten dienen via het webportaal 'Mijn Rechtspraak' een nieuwe zaak in. Ook kunnen zij de in het digitale dossier opgenomen stukken inzien (zie Rechtspraak.nl). In zaken betreffende curatele, onderbewindstelling en mentorschap is per 1 januari 2025 voor professionele wettelijke vertegenwoordigers de verplichting ingevoerd om elektronisch te communiceren met de kantonrechter (Besluit van 19 december 2024, Stb. 2024, 444).
f. Elektronisch familiejournaal
Dit is een kosteloze service voor advocaten en medewerkers van advocatenkantoren, waarmee zij met de rechtbank kunnen communiceren en online inzage kunnen krijgen in de actuele stand van familiezaken van het eigen kantoor. Zichtbaar zijn alle familieverzoeken met uitzondering van Wvggz/Bopz-verzoeken, Wet tijdelijk huisverbod-zaken, uithuisplaatsingen en ondertoezichtstellingen. Voor deze zaken bestaat een apart kanaal voor het uitwisselen van (proces)stukken en berichten waarover in het kader van de Collectieve Opdracht Routeer Voorziening afspraken zijn gemaakt (zie art. 1.4Procesreglement civiel jeugdrecht). Vanaf 1 mei 2011 is het gebruik van zogenaamde F-formulieren verplicht en communiceert de rechtbank alleen nog per brief als dat in de procesreglementen is vastgelegd (zie bijvoorbeeld art. 5.3 e.v. Procesreglement alimentatie en bijstandsverhaal). Slechts ontvangstbevestigingen van de indiening van een verzoekschrift, oproepen voor de zitting en beschikkingen worden nog per post verzonden. Alle overige communicatie vanuit de rechtbank verloopt via het familiejournaal. Om toegang te krijgen dient de advocaat te beschikken over een Balienetcertificaat, dat kosteloos kan worden aangevraagd via www.advocatenorde.nl/certificaat. Bij de hoven kent men een vergelijkbaar systeem, het rekestenjournaal met het V-formulier.
2. Algemeen versus bijzonder
a. Algemeen
Afwijkingen van en aanvullingen op de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure staan wat betreft de familierechtelijke verzoekschriftprocedures in het Derde Boek. Voor zover art. 798-828 geen bijzondere voorschriften bevatten, gelden de gewone regels uit het Eerste Boek. Dat betekent dat de procesregels die in concreto op een zaak van toepassing zijn, vrijwel altijd zijn samengesteld uit algemene en bijzondere voorschriften.
b. Aanbevolen werkwijze
Raadpleeg eerst de relevante bijzondere regels van de onderhavige titel. Geven deze geen antwoord op bepaalde processuele vragen, kijk dan in art. 261-291 en, waar nodig, ook in de bepalingen van de Negende afdeling van de Tweede titel van het Eerste boek Rv (over het wettelijk bewijsrecht), voor zover die van overeenkomstige toepassing zijn (art. 284).
c. Voorbeeld
Art. 816 bevat bijzondere regels voor het indienen van een verweerschrift in scheidingszaken, terwijl art. 801 nadere voorschriften geeft voor het verweerschrift in zaken van levensonderhoud. Voor alle andere zaken gelden onverkort de voorschriften van art. 282. Wat betreft het horen van getuigen en het inschakelen van deskundigen bevat de Zesde titel van het Derde boek vrijwel geen bijzondere voorschriften (met uitzondering van de contra-expertise in zaken betreffende minderjarigen, art. 810a). Dit betekent dat men in dat geval de algemene regels van het bewijsrecht (art. 149-207) moet hanteren die in art. 284 van overeenkomstige toepassing worden verklaard, tenzij de aard van de zaak zich ertegen verzet. Het antwoord op de vraag of een kind tegen bijvoorbeeld zijn scheidende ouders zou moeten getuigen, is hier eveneens te vinden (zie art. 165 lid 2). Kortom: de hierna te bespreken bijzondere regels moeten worden toegepast in samenhang met de algemene regels.
d. In beroep
Indien bijvoorbeeld art. 807, 811 lid 3 of art. 824 niet aan hoger beroep in de weg staan, kan volgens de algemene regeling van art. 358 hoger beroep van een eindbeschikking worden ingesteld door de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden binnen drie kalendermaanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Andere belanghebbenden kunnen hoger beroep instellen binnen drie maanden nadat de beschikking hen is betekend of nadat deze hen op andere wijze bekend is geworden. Let echter op de van art. 358 afwijkende art. 806 en 820. Tussentijds hoger beroep van een tussenbeschikking is in de regel slechts mogelijk als de rechter dat heeft bepaald in de tussenbeschikking of als hij zich onbevoegd heeft verklaard; zie verder art. 806, aant. 1 onder a. Anders kan van een tussenbeschikking alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijk met dat van een eindbeschikking, provisionele tussenbeschikkingen uitgezonderd. Incidenteel hoger beroep kan worden ingesteld bij verweerschrift, ook na het verstrijken van de appeltermijn of berusting (art. 358 lid 5), maar uiteraard niet later dan het tijdstip waarop het verweerschrift moet zijn ingediend. Iedere belanghebbende kan een verweerschrift indienen. Voor de opgeroepen belanghebbenden geldt een termijn van vier weken te rekenen vanaf de toezending van het afschrift van het beroepschrift, tenzij de rechter anders bepaalt; eenzelfde termijn geldt voor het verweer tegen een incidenteel beroep (art. 361 lid 3 en 4). In het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven wordt uitgegaan van een termijn van zes weken (art. 1.3.2); maar in niet-financiële en spoedeisende financiële zaken kan een kortere termijn worden gehanteerd, zoals in Jeugdzaken met een driewekentermijn (art. 2.4.5). Het hoger beroep heeft schorsende werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Niettegenstaande een dergelijke verklaring kan de appelrechter op verzoek of ambtshalve de schorsing van de werking bevelen. Hij kan overigens ook alsnog de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren (art. 360). De regels voor de behandeling van een verzoekschrift in eerste aanleg gelden in beginsel eveneens voor de behandeling in hoger beroep (art. 362); maar zie voor de indiening en de inhoud van een beroepschrift ook art. 359; art. 285 inzake de verwijzing en voeging van zaken is in hoger beroep niet van toepassing; voorts mag, anders dan in eerste aanleg (zie art. 282 lid 4), het verweerschrift geen zelfstandig verzoek bevatten. De devolutieve werking van het hoger beroep geldt ook in verzoekschriftprocedures (HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7378, NJ 2003/655). In eerste aanleg had de man een draagkracht-verweer gevoerd. Maar de rechtbank kwam aan de behandeling daarvan niet toe, omdat zij van oordeel was dat er geen behoefte was aan de zijde van de vrouw. In hoger beroep had het hof het verweer van de man in eerste aanleg in zijn beslissing moeten betrekken (HR 20 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4807, NJ 2011/239; zie ook HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0002, NJ 2011/502). Zie voor beroep in cassatie art. 426-429.
3. Bevoegde rechter
a. Algemeen; drie deelvragen
De vraag welke rechter bevoegd is om van de zaak kennis te nemen valt, als eenmaal vaststaat dat dit een burgerlijke rechter is, in drie deelvragen op te splitsen:
rechtsmacht;
absolute bevoegdheid; en
relatieve bevoegdheid.
b. Rechtsmacht
In hoeverre komt aan een Nederlandse rechter de bevoegdheid toe om zaken met een internationaal karakter of van buitenlandse oorsprong te berechten? Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van het recht dat geldt ten tijde van het aanhangig maken van de procedure in eerste aanleg (zie voor het tijdstip van aanhangigheid van verzoekschriftprocedures, art. 278 lid 4 en 69 lid 1 tweede volzin). Is de Nederlandse rechter eenmaal bevoegd, dan kan daarin tijdens de procedure geen verandering meer komen (het zogenaamde perpetuatio-foribeginsel), zie HR 19 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2785, NJ 2004/295. Uitdrukkelijk heeft de wetgever de internationale bevoegdheid losgekoppeld van de relatieve bevoegdheid (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 10). De rechter is gehouden zijn rechtsmacht ambtshalve te onderzoeken (bevestigd in HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077). De rechtsmacht van de Nederlandse rechter in internationale familiezaken wordt vooral beheerst door regels van supranationale herkomst die voorgaan op de Nederlandse regeling. Voor het familierecht zijn in het bijzonder van belang:
de Brussel II-verordening, waarvan de laatste versie op 1 augustus 2022 in werking trad: Brussel II-ter (Verordening (EU) 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering, PbEU 2019, L 178). Zie in dat verband HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1752, NJ 2015/309: de Nederlandse rechter komt voor (de verlenging) ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing internationale rechtsmacht toe, wanneer het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft op het tijdstip dat de zaak aanhangig wordt gemaakt; en
de Alimentatieverordening (Verordening (EG) 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, PbEG 2009, L 7/1).
Ook is Nederland partij bij tal van verdragen op het terrein van het personen-, familie- en jeugdrecht. Pas indien een zaak niet valt binnen het toepassingsgebied van enig verdrag of van enige verordening van de Europese Unie, komen de bepalingen uit de Eerste afdeling van de Eerste titel van het Eerste boek Rv voor toepassing in aanmerking (art. 1). De in art. 3 neergelegde algemene regeling van de rechtsmacht voor verzoekschriftprocedures kent twee belangrijke uitzonderingen: de zaken bedoeld in art. 4 (scheidingszaken en daaraan verbonden voorlopige en bewarende maatregelen en nevenvoorzieningen) en die in art. 5 (betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid). Maar deze uitzonderingen kunnen weer opzij gezet worden door (later ingevoerd) supranationaal recht. Zo werd de rechtsmacht van de Nederlandse echtscheidingsrechter om een voorlopige of bewarende maatregel of nevenvoorziening inzake huwelijksvermogensrecht te treffen, uitsluitend beheerst door art. 4 lid 2 en 3 Rv. Hieraan kwam voor achttien EU-lidstaten, waaronder Nederland, op 29 januari 2019 een einde door de inwerkingtreding van de Verordening Huwelijksvermogensstelsels (Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (PbEU 2016, L 183/1-29)). Forumkeuze is mogelijk, maar alleen met betrekking tot een bepaalde rechtsbetrekking die ter vrije bepaling van partijen staat (art. 8). In het familierecht kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het huwelijksvermogensrecht en de alimentatie. Leiden voorgaande bepalingen niet naar een bevoegde rechter, dan kan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomen op grond van art. 9 (zoals in Hof Den Haag 12 januari 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BP9606, waar het voor de vader onmogelijk bleek een procedure tot vaststelling van een omgangsregeling in het buitenland aanhangig te maken, omdat noch de gewone, noch de werkelijke verblijfplaats van (de vrouw en) de minderjarige bekend waren). Zie voor het begrip 'gewone verblijfplaats': HR 25 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:440, NJ 2022/143.
c. Absolute bevoegdheid
De tweede deelvraag betreft de absolute bevoegdheid: welke rechter is hiërarchisch gezien bevoegd? Art. 42 RO vormt hier het uitgangspunt. Bevoegd is in principe de rechtbank, tenzij de wet een andere bevoegde rechter aanwijst.
Binnen de rechtbank kan een familiezaak dienen voor de rechtbank zelf (in de regel voor een enkelvoudige kamer, art. 15) of voor de kantonrechter (art. 47 RO). Bij de herschikking van de bevoegdheidsverdeling tussen rechtbank en kantonrechter (wet van 22 november 2006, Stb. 2006, 589; i.w.tr. 1 mei 2007, Stb. 2007, 110) is als uitgangspunt genomen dat in zaken die de persoon betreffen en in zaken betreffende het gezag de rechtbank de absoluut bevoegde rechter is. De zaken die het vermogen betreffen en meer materieel van aard zijn worden behandeld door de kantonrechter. Behoudens een enkele uitzondering zijn dit uit Boek 1 BW de zaken betreffende curatele (Titel 16 Boek 1 BW; uitzondering art. 1:378 lid 3 BW bij Wvggz/Bopz-zaak), handlichting (Titel 13 Afd. 2 Boek 1 BW), bewind in geval van afwezigheid en vermissing (Titel 18 Boek 1 BW), alsmede bewind en mentorschap van meerderjarigen (Titel 19 en 20 Boek 1 BW). Daarnaast zijn het bijvoorbeeld verzoeken om vervangende toestemming (art. 1:253a BW) of om een bevel tot boedelbeschrijving (art. 1:136 BW). Wijst de wet geen andere rechter aan en is derhalve de rechtbank bevoegd, maar gaat het om een ‘zaak betreffende minderjarigen’, dan zal op grond van art. 808 deze door de kinderrechter worden behandeld. De kinderrechter is de in art. 53 RO aangegeven enkelvoudige kamer van de rechtbank die voor het behandelen en beslissen van kinderzaken is ingesteld.
d. Relatieve bevoegdheid
De derde deelvraag gaat over de relatieve bevoegdheid: welke rechter is geografisch gezien bevoegd? De relevante bepalingen staan in de Tweede afdeling van de Derde titel van het Eerste boek. Volgens de hoofdregel is bevoegd de rechter van de woonplaats, of bij gebreke van een bekende woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van (één van) de verzoeker(s) of van één van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbende(n) (zie art. 262, aant. 2-4). Het gaat hier om een alternatief forum, zodat verzoeker kan kiezen. De overige bepalingen van die afdeling beogen geen alternatieve bevoegdheid te geven, maar een specifieke bevoegdheid. Voor zaken betreffende de registers van de burgerlijke stand regelt art. 263 de bevoegdheid. Het moet dan wel uitsluitend gaan om de wijziging in de registers. Procedures die mede leiden tot een aanpassing in de registers van de burgerlijke stand, zoals de procedure tot vaststelling van het vaderschap, vallen niet onder het bereik van dit artikel (zie art. 263). Op grond van art. 265 is in zaken betreffende minderjarigen altijd de rechter van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijke verblijf van de minderjarige relatief bevoegd. Ingevolge art. 1:12 lid 1 BW heeft de minderjarige een afgeleide woonplaats: hij volgt de woonplaats van hem, die het gezag over hem uitoefent (zie art. 265). In zaken betreffende curatele, onderbewindstelling of mentorschap geldt de specifieke bevoegdheidsregeling van art. 266. Opgemerkt zij dat de afgeleide woonplaatsregel van art. 1:12 BW in geval van een reeds uitgesproken ondercuratelestelling, onderbewindstelling of mentorschap, niet geldt ten aanzien van de relatieve competentie (art. 1:12 lid 4 BW). Ook dan moet uitgegaan worden van de woonplaats respectievelijk het werkelijk verblijf van betrokkene zelf. Verhuist bijvoorbeeld de meerderjarige van wie op de voet van art. 1:431 BW een of meer goederen onder bewind zijn gesteld naar een gemeente die onder de bevoegdheid van een andere rechtbank valt, dan is de oorspronkelijke kantonrechter niet langer bevoegd en dient het dossier te worden overgedragen aan de wel bevoegde kantonrechter (zie Aanbevelingen meerderjarigenbewind, curatele en mentorschap, vastgesteld op 3 april 2025 door het Landelijk Overleg Vakinhoud Toezicht (LOVT)). Het staat de kantonrechter vrij hiervan in bijzondere gevallen af te wijken, aldus Hof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3163. Zie voor zaken van afwezigheid of vermissing of voor de vaststelling van overlijden art. 267. Voor zaken betreffende nalatenschappen geldt art. 268. Art. 269 vormt het sluitstuk en wijst de rechter te Den Haag als subsidiair bevoegde rechter aan. De rechter toetst ambtshalve zijn bevoegdheid. Het oorspronkelijke art. 270 lid 1 droeg de rechter op alleen de zaak te verwijzen indien een of meer opgeroepen belanghebbenden niet in de procedure waren verschenen of een van de verschenen belanghebbenden zijn bevoegdheid betwistte: een stilzwijgende forumkeuze was dus mogelijk. Thans staat echter de ambtshalve toetsing voorop, waarbij niet ter zake doet of belanghebbenden in de procedure zijn verschenen en of ze de bevoegdheid van de rechter hebben betwist. De slotzin van het gewijzigde art. 270 lid 1 biedt partijen de mogelijkheid om bij de relatief onbevoegde rechter te blijven: zij zullen dan moeten te kennen geven dat zij geen verwijzing wensen (MvT, Kamerstukken II 2002/03, 28863, 3, p. 9). Ingevolge art. 270 lid 2 geldt in scheidingszaken dat verwijzing alleen plaatsvindt, indien de andere echtgenoot of geregistreerde partner de bevoegdheid betwist. Een scheidingszaak die bij een relatief onbevoegde rechter is aangebracht, zal derhalve niet worden verwezen als de andere echtgenoot of geregistreerde partner niet in de procedure verschijnt of wel verschijnt zonder de relatieve bevoegdheid te betwisten. Hierdoor wordt de bestaande praktijk, inhoudende dat met name in scheidingszaken soms om redenen van privacy van de betrokkenen de zaak, met instemming van die betrokkenen, in een ander arrondissement wordt aangebracht dan dat waar de echtgenoten of geregistreerde partners wonen, in stand gelaten (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 439-440). Om vertraging van de procedure te voorkomen, bepaalt art. 270 lid 3 dat geen hogere voorziening is toegelaten tegen een beslissing waarbij een betwisting van bevoegdheid wordt verworpen of de zaak (al dan niet na betwisting van bevoegdheid) naar een andere rechter wordt verwezen. Het rechtsmiddelenverbod geldt evenzeer indien de rechter op de voet van het eerste lid ambtshalve heeft geoordeeld dat hij relatief bevoegd is (HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1770, NJ 2023/53). Volgens vaste jurisprudentie kan in bepaalde gevallen dit verbod worden doorbroken (zie daarvoor art. 807, aant. 2 onder b).