In art. 3.47 Wet IB 2001 zijn de gevolgen geregeld van de vervreemding van een bedrijfsmiddel waarvoor investeringsaftrek (kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, energie-investeringsaftrek dan wel milieu-investeringsaftrek) is verleend (aant. 5). Indien een goed wordt vervreemd waarvoor in het verleden investeringsaftrek is verleend, dan wordt van de overdrachtsprijs een percentage ten bate van de winst gebracht (aant. 9, 12, 16). Dit is de desinvesteringsbijtelling. Het hierbij met betrekking tot het goed in aanmerking te nemen percentage komt overeen met het percentage dat in het verleden met betrekking tot dat goed voor het verlenen van investeringsaftrek in aanmerking is genomen (aant. 19).
Kern van de sanctie van art. 3.47 Wet IB 2001 is dat de desinvesteringsbijtelling wordt opgeteld bij de winst van het jaar waarin de vervreemding heeft plaatsgehad. De bijtelling leidt zodoende tot een hoger bedrag aan verschuldigde inkomsten- dan wel vennootschapsbelasting. De bijtelling kan voorts neveneffecten hebben; faciliteiten die gekoppeld zijn aan de hoogte van de winst worden indirect door de bijtelling beïnvloed.
Voor het in aanmerking nemen van desinvesteringsbijtelling dient volgens het eerste lid van art. 3.47 een drempelbedrag van € 2900 (tekst 2025) te worden overschreden (aant. 15).
In het tweede lid van art. 3.47 wordt de desinvesteringsbijtelling beperkt tot vervreemdingen die plaatsvinden binnen vijf jaar na het begin van het kalenderjaar waarin de investering heeft plaatsgevonden (aant. 24). Tevens is bepaald dat de investeringsbijtelling niet over een hoger bedrag wordt berekend dan het bedrag waarover in het verleden investeringsaftrek in aanmerking is genomen (aant. 22).
Het eerste en het tweede lid van art. 3.47 komen overeen met het eerste lid van het vóór 2001 geldende art. 11a, eerste lid, Wet IB 1964.
In het derde lid van artikel 3.47 (tekst met ingang van 1 januari 2014) zijn drie handelingen of situaties opgenomen die met een vervreemding (desinvestering) als bedoeld in het eerste lid gelijk worden gesteld (aant. 27). Het betreft hier:
-
het onttrekken van een goed aan de onderneming;
-
het wijzigen van de bestemming van een goed zodanig dat dit gaat voldoen aan de omschrijving van artikel 3.45, tweede lid, onderdeel a, en artikel 3.45, vierde lid, onderdeel a; en
-
het wijzigen van de bestemming van een goed zodanig dat dit gaat voldoen aan de omschrijving van artikel 3.45, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°.
Ingevolge het vierde lid geldt voor de toepassing van het derde lid de waarde in het economische verkeer van een goed als overdrachtsprijs (aant. 31). Het derde en het vierde lid komen overeen met het vóór 2001 geldende tweede lid van artikel 11a van de Wet IB 1964.
Naast de vervreemdingen van het derde lid zijn in het vijfde lid twee situaties opgenomen die met een vervreemding worden gelijkgesteld. Het betreft hier:
-
het ongedaan maken van een investering (aant. 34); en
-
het ter zake van een investering genieten van een vermindering, teruggaaf of vergoeding. (aant. 36).
In deze gevallen geldt het bedrag van de investering, vermindering, teruggaaf of vergoeding als overdrachtsprijs.
Onder het ongedaan maken van een investering, als bedoeld in het vijfde lid, worden twee situaties begrepen die in artikel 3.47, zesde lid, van de Wet IB 2001 nader zijn aangeduid (aant. 39). Het betreft:
-
het niet betaald zijn binnen twaalf maanden na het aangaan van de verplichting van ten minste 25% van het investeringsbedrag ter zake van die verplichting, tenzij het bedrijfsmiddel binnen die periode in gebruik is genomen; en
-
het niet in gebruik genomen zijn van een bedrijfsmiddel binnen drie jaar na het begin van het kalenderjaar waarin de investering is gedaan.
Het vijfde en zesde lid van artikel 3.47 komen overeen met het vóór 2001 geldende artikel 11a, derde en vierde lid, van de Wet IB 2001.
Nieuw ten opzichte van artikel 11a van de Wet IB 1964 is het zevende lid van artikel 3.47, van de Wet IB 2001. In deze bepaling is aan de Minister van Financiën de bevoegdheid toegekend om ontheffing te verlenen van het bepaalde in het derde lid, aanhef en onderdeel c, respectievelijk het zesde lid (aant. 43).
Bepalingen betreffende het desinvesteren kwamen ook voor in het regime van de WIR (artikel 61b van de Wet IB 1964) en de vóór de invoering van de WIR geldende investeringsaftrek. Dit betekent dat ook de in het kader van deze regelingen gewezen jurisprudentie voor de toepassing van de Wet IB 2001 van belang blijft.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 3.47 Wet IB 2001, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 16-02-2026
16-02-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/33 en V-N 2026/8.30
01-01-2001 tot: -
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 3.47 Wet IB 2001, aant. 1.1
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
desinvesteringsbijtelling
investeringsaftrek
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.47
Beschouwing
In art. 3.47 Wet IB 2001 zijn de gevolgen geregeld van de vervreemding van een bedrijfsmiddel waarvoor investeringsaftrek (kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, energie-investeringsaftrek dan wel milieu-investeringsaftrek) is verleend (aant. 5). Indien een goed wordt vervreemd waarvoor in het verleden investeringsaftrek is verleend, dan wordt van de overdrachtsprijs een percentage ten bate van de winst gebracht (aant. 9, 12, 16). Dit is de desinvesteringsbijtelling. Het hierbij met betrekking tot het goed in aanmerking te nemen percentage komt overeen met het percentage dat in het verleden met betrekking tot dat goed voor het verlenen van investeringsaftrek in aanmerking is genomen (aant. 19).
Kern van de sanctie van art. 3.47 Wet IB 2001 is dat de desinvesteringsbijtelling wordt opgeteld bij de winst van het jaar waarin de vervreemding heeft plaatsgehad. De bijtelling leidt zodoende tot een hoger bedrag aan verschuldigde inkomsten- dan wel vennootschapsbelasting. De bijtelling kan voorts neveneffecten hebben; faciliteiten die gekoppeld zijn aan de hoogte van de winst worden indirect door de bijtelling beïnvloed.
Voor het in aanmerking nemen van desinvesteringsbijtelling dient volgens het eerste lid van art. 3.47 een drempelbedrag van € 2900 (tekst 2025) te worden overschreden (aant. 15).
In het tweede lid van art. 3.47 wordt de desinvesteringsbijtelling beperkt tot vervreemdingen die plaatsvinden binnen vijf jaar na het begin van het kalenderjaar waarin de investering heeft plaatsgevonden (aant. 24). Tevens is bepaald dat de investeringsbijtelling niet over een hoger bedrag wordt berekend dan het bedrag waarover in het verleden investeringsaftrek in aanmerking is genomen (aant. 22).
Het eerste en het tweede lid van art. 3.47 komen overeen met het eerste lid van het vóór 2001 geldende art. 11a, eerste lid, Wet IB 1964.
In het derde lid van artikel 3.47 (tekst met ingang van 1 januari 2014) zijn drie handelingen of situaties opgenomen die met een vervreemding (desinvestering) als bedoeld in het eerste lid gelijk worden gesteld (aant. 27). Het betreft hier:
het onttrekken van een goed aan de onderneming;
het wijzigen van de bestemming van een goed zodanig dat dit gaat voldoen aan de omschrijving van artikel 3.45, tweede lid, onderdeel a, en artikel 3.45, vierde lid, onderdeel a; en
het wijzigen van de bestemming van een goed zodanig dat dit gaat voldoen aan de omschrijving van artikel 3.45, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°.
Ingevolge het vierde lid geldt voor de toepassing van het derde lid de waarde in het economische verkeer van een goed als overdrachtsprijs (aant. 31). Het derde en het vierde lid komen overeen met het vóór 2001 geldende tweede lid van artikel 11a van de Wet IB 1964.
Naast de vervreemdingen van het derde lid zijn in het vijfde lid twee situaties opgenomen die met een vervreemding worden gelijkgesteld. Het betreft hier:
het ongedaan maken van een investering (aant. 34); en
het ter zake van een investering genieten van een vermindering, teruggaaf of vergoeding. (aant. 36).
In deze gevallen geldt het bedrag van de investering, vermindering, teruggaaf of vergoeding als overdrachtsprijs.
Onder het ongedaan maken van een investering, als bedoeld in het vijfde lid, worden twee situaties begrepen die in artikel 3.47, zesde lid, van de Wet IB 2001 nader zijn aangeduid (aant. 39). Het betreft:
het niet betaald zijn binnen twaalf maanden na het aangaan van de verplichting van ten minste 25% van het investeringsbedrag ter zake van die verplichting, tenzij het bedrijfsmiddel binnen die periode in gebruik is genomen; en
het niet in gebruik genomen zijn van een bedrijfsmiddel binnen drie jaar na het begin van het kalenderjaar waarin de investering is gedaan.
Het vijfde en zesde lid van artikel 3.47 komen overeen met het vóór 2001 geldende artikel 11a, derde en vierde lid, van de Wet IB 2001.
Nieuw ten opzichte van artikel 11a van de Wet IB 1964 is het zevende lid van artikel 3.47, van de Wet IB 2001. In deze bepaling is aan de Minister van Financiën de bevoegdheid toegekend om ontheffing te verlenen van het bepaalde in het derde lid, aanhef en onderdeel c, respectievelijk het zesde lid (aant. 43).
Bepalingen betreffende het desinvesteren kwamen ook voor in het regime van de WIR (artikel 61b van de Wet IB 1964) en de vóór de invoering van de WIR geldende investeringsaftrek. Dit betekent dat ook de in het kader van deze regelingen gewezen jurisprudentie voor de toepassing van de Wet IB 2001 van belang blijft.