HR, 28-10-1992, nr. 27 839
ECLI:NL:HR:1992:BH8385
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-10-1992
- Zaaknummer
27 839
- LJN
ZC5148
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Vennootschapsbelasting (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1992:BH8385, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑10‑1992; (Cassatie)
- Vindplaatsen
BNB 1993/206 met annotatie van J. Hoogendoorn
V-N 1992/3591, 15 met annotatie van Redactie
FED 1993/3 met annotatie van E. BOS
WFR 1992/1625
Uitspraak 28‑10‑1992
Inhoudsindicatie
Insolvabele ondernemer ontvangt kwijtschelding van bedrijfsschuld tegen afstand van pensioenrechten. Inbreng van stamrecht. Niet tot de winst behorend voordeel?
Hoge Raad der Nederlanden
Derde kamer
Nr. 27.839
28 oktober 1992
SK
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 november 1990 betreffende de aan
[X] te [Z]
voor het jaar 1985 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1985 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 203.193,--.
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof, dat die uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 178.080,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
Belanghebbende is in de loop der jaren in ernstige financiële moeilijkheden geraakt. Eind 1985 heeft hij zijn financiële positie kunnen saneren. Daarbij werd hem onder meer kwijtschelding verleend voor zakelijke schulden tot een bedrag van in totaal f 280.041,--.
Tot deze schulden behoorde een vordering op belanghebbende van de Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten (hierna: het pensioenfonds) betreffende verschuldigde premie over de perioden 1 april 1984 tot 1 juli 1984 en 1 oktober 1984 tot 1 juli 1985 van in totaal f 25.113,--, welke vordering niet voor verwezenlijking vatbaar was. Daarbij werd door het pensioenfonds als voorwaarde gesteld dat belanghebbende afstand zou doen van zijn pensioenrechten over deze periode, hetgeen belanghebbende heeft gedaan.
Wegens de kwijtschelding van deze schuld heeft de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag de volgens belanghebbende - blijkens zijn aangifte - vrij te stellen kwijtscheldingswinst verminderd met f 25.113,--.
3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 8, lid 1, letter c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), van toepassing is op de door het pensioenfonds kwijtgescholden schuld, en dat daaraan niet afdoet dat belanghebbende daarnaast in de privé-sfeer een nadeel leed doordat over de betrokken periode geen pensioenrechten werden opgebouwd. Het middel keert zich tegen dit oordeel en betoogt dat, nu belanghebbende afstand heeft gedaan van zijn pensioenrechten over de onder 3.1 genoemde perioden, er geen sprake kan zijn van kwijtschelding, aangezien het afzien van de schuld door de crediteur stond tegenover het opgeven van de rechten op een pensioen door de debiteur, en de prestaties een gelijke waarde hadden.
3.2.2. Het middel behelst voorts de klacht dat het Hof ten onrechte het bepaalde in artikel 31, lid 5, van de Wet niet heeft toegepast.
3.3. Belanghebbende heeft door de aanwending van de onderhavige pensioenrechten ter afdoening van een bedrijfsschuld deze rechten ingebracht in zijn onderneming. Deze inbreng van een stamrecht, die moet plaatsvinden tegen de waarde in het economische verkeer, leidt tot toepassing van artikel 31, lid 5, (tekst 1985) in samenhang met artikel 57, lid 1, aanhef en letter e, (tekst 1985) van de Wet.
3.4. Indien het bedrag van de kwijtschelding overeenstemt met de waarde van de daartegenover afgestane pensioenrechten, leiden de kwijtschelding van de schuld en de afstand van bedoelde rechten niet tot winst of verlies. Indien die waarde hoger was dan het kwijtgescholden bedrag, komt het verschil ten laste van de winst. Toepassing van artikel 8, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet kan in deze gevallen niet aan de orde komen.
Indien evenwel de waarde van de afgestane rechten lager was dan het bedrag van de kwijtschelding, is in zoverre sprake van een voordeel, dat ingevolge laatstgenoemde bepaling niet tot de winst behoort.
3.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat 's Hofs uitspraak berust op een onjuiste opvatting van het bepaalde in artikel 8, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet, en dat het Hof ten onrechte het bepaalde in artikel 31, lid 5, van de Wet niet heeft toegepast.
3.6. Het middel treft derhalve doel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven; verwijzing moet volgen.
4. Beslissing
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, Korthals Altes en C.H.M. Jansen in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 28 oktober 1992.