Post b.1 van de bij de Wet OB 1968 behorende Tabel II heeft betrekking op diensten die worden verricht ten aanzien van goederen, als zijn bedoeld onder de post a.1 t/m a.4, a.7 en a.8, te weten:
—
(post a.1)
van buiten Nederland komende goederen die niet zijn ingevoerd, met dien verstande dat, gelet op de bijzondere bepaling, goederen die worden geleverd door de ondernemer die de goederen invoert of in wiens opdracht de invoer plaatsvindt, of die worden geleverd door ondernemers die ten aanzien van de goederen daaraan voorafgaande leveringen verrichten niet tot post a.1 behoren;
—
(post a.2)
goederen die door een ondernemer worden:
—
uitgevoerd uit de Gemeenschap, met uitzondering van goederen die zijn bestemd voor de bevoorrading in Nederland van vervoermiddelen;
—
gebracht onder het stelsel van douane-entrepots op basis van art. 98, eerste lid, onderdeel b, Communautair Douanewetboek, met dien verstande dat, gelet op de bijzondere bepaling, goederen die in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen als reizigersbagage of als zending waaraan elk handelskarakter vreemd is, worden uitgevoerd uit de Gemeenschap niet tot post a.2 behoren;
—
(post a.3)
zeeschepen, met uitzondering van pleziervaartuigen, en luchtvaartuigen die hoofdzakelijk als openbaar vervoermiddel in het internationaal verkeer zullen worden gebezigd;
—
(post a.4)
goederen die zijn bestemd voor de bevoorrading van uitgaande:
—
zeeschepen waarmee enigerlei economische activiteit wordt verricht, met uitzondering van schepen voor de kustvisserij;
—
reddingsboten, schepen voor de hulpverlening op zee of schepen voor de kustvisserij, met uitzondering van voor laatstgenoemde schepen bestemde scheepsproviand;
—
oorlogsschepen met als bestemming een haven of ankerplaats buiten Nederland;
—
luchtvaartuigen als zijn bedoeld onder 3;
—
(post a.7)
a.
accijnsgoederen die worden gebracht naar of zich bevinden in een accijnsgoederenplaats als bedoeld in de Wet op de accijns (WA) en die voor die soort goederen als zodanig is aangewezen, voor zover die goederen voor de heffing van de accijns niet zijn ingevoerd of zijn uitgeslagen;
b.
minerale oliën waarvoor in art. 27 WA een accijnstarief is vastgesteld, alsmede minerale oliën die daarmee op grond van art. 28 WA worden gelijkgesteld en die zijn gebracht buiten een accijnsgoederenplaats en die niet worden gebracht naar een andere accijnsgoederenplaats die voor minerale oliën als zodanig is aangewezen, indien:
1.
het buiten de accijnsgoederenplaats brengen van de minerale oliën ingevolge de WA niet als uitslag is of wordt aangemerkt;
2.
voor het vervoer van de minerale oliën ingevolge de WA een geleidedocument is afgegeven als bedoeld in verordening (EEG) nr. 2719/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 11 september 1992, PbEG 1992 L 276; en
3.
de minerale oliën niet worden vervoerd naar een andere lidstaat noch worden uitgevoerd of opgeslagen in een entrepot; met dien verstande dat op verzoek, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, een accijnsgoederenplaats voor minerale oliën wordt aangewezen voor een bijzondere regeling ingevolge welke de voorwaarden die zijn gesteld ter zake van de onder a bedoelde leveringen van accijnsgoederen die zich bevinden in een accijnsgoederenplaats, niet van toepassing zijn.
—
(post a.8)
a.
bij ministeriële regeling aan te wijzen goederen of soorten van goederen die worden gebracht naar of zich bevinden in een ander entrepot dan een douane-entrepot als bedoeld in art. 16, eerste lid, A en B, onderdeel e, Zesde richtlijn dat niet-plaatsgebonden is;
b.
bij ministeriële regeling aan te wijzen goederen of soorten van goederen die zich bevinden in een ander entrepot dan een douane-entrepot als bedoeld in art. 16, eerste lid, A en B, onderdeel e, Zesde richtlijn dat plaatsgebonden is, niet zijnde een accijnsgoederenplaats voor minerale oliën; hetgeen onder een niet-plaatsgebonden en onder een plaatsgebonden entrepot als bedoeld in deze post wordt verstaan, wordt, onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen, vastgesteld bij ministeriële regeling.
Beleid
Geldend beleid. Voorschrift Tabel II, vanaf 1 april 2024
'2. Algemeen en juridisch kader
Post b.1 voorziet in een nultarief voor de diensten ten aanzien van de in de post opgesomde goederen. Onder post b.1 vallen:
– diensten die samenhangen met goederen die Nederland zijn binnengekomen maar nog niet zijn ingevoerd (goederen bedoeld in post a.1);
– diensten die rechtstreeks verband houden met goederen die worden uitgevoerd voor of door ondernemers (goederen bedoeld in post a.2);
– diensten die samenhangen met goederen die zich bevinden onder een bijzonder (belasting)regime (goederen die zich bevinden in een accijnsgoederenplaats (post a.7) of in een btw-entrepot (post a.8));
– een aantal specifiek benoemde diensten en andere diensten die worden verricht ten behoeve van de exploitatie of de rechtstreekse behoeften van de in post a.3 bedoelde schepen en luchtvaartuigen en hun lading.
Het nultarief kan bij de onder post b.1 vallende diensten alleen aan de orde komen als de plaats van heffing bij deze diensten in Nederland ligt (zie § 2.2 van de Algemene opmerkingen over de toepassing van het nultarief).
De communautaire basis van post b.1 is te vinden in diverse artikelen van de btw-richtlijn. Het gaat om de volgende artikelen:
Vakstudie Omzetbelasting, bijl. Wet OB 1968, aant. 1.1 (post b.1)
Aant. 1.1 (post b.1) Inleiding
Actueel t/m 26-02-2025
26-02-2025, het commentaar is bijgewerkt t/m V-N 2025/10 en BNB 2025/31
01-01-1969 tot: -
Vakstudie Omzetbelasting, bijl. Wet OB 1968, aant. 1.1 (post b.1)
Omzetbelasting / Tarief
nultarief
Wet op de omzetbelasting 1968 bijlage II
Beschouwing
Post b.1 van de bij de Wet OB 1968 behorende Tabel II heeft betrekking op diensten die worden verricht ten aanzien van goederen, als zijn bedoeld onder de post a.1 t/m a.4, a.7 en a.8, te weten:
(post a.1)
van buiten Nederland komende goederen die niet zijn ingevoerd, met dien verstande dat, gelet op de bijzondere bepaling, goederen die worden geleverd door de ondernemer die de goederen invoert of in wiens opdracht de invoer plaatsvindt, of die worden geleverd door ondernemers die ten aanzien van de goederen daaraan voorafgaande leveringen verrichten niet tot post a.1 behoren;
(post a.2)
goederen die door een ondernemer worden:
uitgevoerd uit de Gemeenschap, met uitzondering van goederen die zijn bestemd voor de bevoorrading in Nederland van vervoermiddelen;
gebracht onder het stelsel van douane-entrepots op basis van art. 98, eerste lid, onderdeel b, Communautair Douanewetboek, met dien verstande dat, gelet op de bijzondere bepaling, goederen die in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen als reizigersbagage of als zending waaraan elk handelskarakter vreemd is, worden uitgevoerd uit de Gemeenschap niet tot post a.2 behoren;
(post a.3)
zeeschepen, met uitzondering van pleziervaartuigen, en luchtvaartuigen die hoofdzakelijk als openbaar vervoermiddel in het internationaal verkeer zullen worden gebezigd;
(post a.4)
goederen die zijn bestemd voor de bevoorrading van uitgaande:
zeeschepen waarmee enigerlei economische activiteit wordt verricht, met uitzondering van schepen voor de kustvisserij;
reddingsboten, schepen voor de hulpverlening op zee of schepen voor de kustvisserij, met uitzondering van voor laatstgenoemde schepen bestemde scheepsproviand;
oorlogsschepen met als bestemming een haven of ankerplaats buiten Nederland;
luchtvaartuigen als zijn bedoeld onder 3;
(post a.7)
accijnsgoederen die worden gebracht naar of zich bevinden in een accijnsgoederenplaats als bedoeld in de Wet op de accijns (WA) en die voor die soort goederen als zodanig is aangewezen, voor zover die goederen voor de heffing van de accijns niet zijn ingevoerd of zijn uitgeslagen;
minerale oliën waarvoor in art. 27 WA een accijnstarief is vastgesteld, alsmede minerale oliën die daarmee op grond van art. 28 WA worden gelijkgesteld en die zijn gebracht buiten een accijnsgoederenplaats en die niet worden gebracht naar een andere accijnsgoederenplaats die voor minerale oliën als zodanig is aangewezen, indien:
het buiten de accijnsgoederenplaats brengen van de minerale oliën ingevolge de WA niet als uitslag is of wordt aangemerkt;
voor het vervoer van de minerale oliën ingevolge de WA een geleidedocument is afgegeven als bedoeld in verordening (EEG) nr. 2719/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 11 september 1992, PbEG 1992 L 276; en
de minerale oliën niet worden vervoerd naar een andere lidstaat noch worden uitgevoerd of opgeslagen in een entrepot; met dien verstande dat op verzoek, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, een accijnsgoederenplaats voor minerale oliën wordt aangewezen voor een bijzondere regeling ingevolge welke de voorwaarden die zijn gesteld ter zake van de onder a bedoelde leveringen van accijnsgoederen die zich bevinden in een accijnsgoederenplaats, niet van toepassing zijn.
(post a.8)
bij ministeriële regeling aan te wijzen goederen of soorten van goederen die worden gebracht naar of zich bevinden in een ander entrepot dan een douane-entrepot als bedoeld in art. 16, eerste lid, A en B, onderdeel e, Zesde richtlijn dat niet-plaatsgebonden is;
bij ministeriële regeling aan te wijzen goederen of soorten van goederen die zich bevinden in een ander entrepot dan een douane-entrepot als bedoeld in art. 16, eerste lid, A en B, onderdeel e, Zesde richtlijn dat plaatsgebonden is, niet zijnde een accijnsgoederenplaats voor minerale oliën; hetgeen onder een niet-plaatsgebonden en onder een plaatsgebonden entrepot als bedoeld in deze post wordt verstaan, wordt, onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen, vastgesteld bij ministeriële regeling.
Geldend beleid. Voorschrift Tabel II, vanaf 1 april 2024
'2. Algemeen en juridisch kader
Post b.1 voorziet in een nultarief voor de diensten ten aanzien van de in de post opgesomde goederen. Onder post b.1 vallen:
– diensten die samenhangen met goederen die Nederland zijn binnengekomen maar nog niet zijn ingevoerd (goederen bedoeld in post a.1);
– diensten die rechtstreeks verband houden met goederen die worden uitgevoerd voor of door ondernemers (goederen bedoeld in post a.2);
– diensten die samenhangen met goederen die zich bevinden onder een bijzonder (belasting)regime (goederen die zich bevinden in een accijnsgoederenplaats (post a.7) of in een btw-entrepot (post a.8));
– een aantal specifiek benoemde diensten en andere diensten die worden verricht ten behoeve van de exploitatie of de rechtstreekse behoeften van de in post a.3 bedoelde schepen en luchtvaartuigen en hun lading.
Het nultarief kan bij de onder post b.1 vallende diensten alleen aan de orde komen als de plaats van heffing bij deze diensten in Nederland ligt (zie § 2.2 van de Algemene opmerkingen over de toepassing van het nultarief).
De communautaire basis van post b.1 is te vinden in diverse artikelen van de btw-richtlijn. Het gaat om de volgende artikelen:
– artikel 159 in samenhang met artikel 156, lid 1, onderdelen a t/m c, artikel 160, lid 1, onderdeel a, en artikel 161, onderdeel a (voor goederen bedoeld in post a.1);
– artikel 146, lid 1, onderdeel e (voor goederen bedoeld in post a.2);
– artikel 148, onderdelen c, d, f en g (voor goederen bedoeld in post a.3 en post a.4);
– artikel 159 in samenhang met artikel 157, lid 1, onderdeel a en b (voor goederen bedoeld in post a.7 en post a.8).'
Besluit van 20 december 2023, nr. 2023-22510, Stcrt. 2023, 27807, V-N 2024/11.3.