FED 1992/249
Belanghebbende heeft een belangrijke zeggenschap in het financiele beleid van de bij haar aangesloten plaatselijke instellingen. De opvatting dat door deze belangrijke zeggenschap de financiele gedragingen van belanghebbende rechtstreeks de financiele positie van de plaatselijke instellingen beinvloeden, miskent echter dat van een financiele verwevenheid in de zin van art. 7, vierde lid, Wet OB 1968 slechts sprake is indien de financiele positie en/of de financiele gedragingen van het ene lichaam rechtstreeks afhankelijk zijn van, dan wel rechtstreeks van invloed zijn op de financiele positie van het andere lichaam. Nu van een verwevenheid in financieel opzicht geen sprake is, kan belanghebbende geen fiscale eenheid vormen met de bij haar aangesloten plaatselijke instellingen.
HR 18-12-1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4858, m.nt. M.E. van Hilten
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18 december 1991
- Magistraten
Linde, Van Der; Baardman; Bellaart; Korthals Altes; Moor, De
- Zaaknummer
27 833
- Noot
M.E. van Hilten
- LJN
ZC4858
- JCDI
JCDI:ADS208765:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Omzetbelasting / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1991:ZC4858, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑12‑1991
- Wetingang
Art. 7, vierde lid, Wet OB 1968
Essentie
Belanghebbende heeft een belangrijke zeggenschap in het financiele beleid van de bij haar aangesloten plaatselijke instellingen. De opvatting dat door deze belangrijke zeggenschap de financiele gedragingen van belanghebbende rechtstreeks de financiele positie van de plaatselijke instellingen beinvloeden, miskent echter dat van een financiele verwevenheid in de zin van art. 7, vierde lid, Wet OB 1968 slechts sprake is indien de financiele positie en/of de financiele gedragingen van het ene lichaam rechtstreeks afhankelijk zijn van, dan wel rechtstreeks van invloed zijn op de financiele positie van het andere lichaam. Nu van een verwevenheid in financieel opzicht geen sprake is, kan ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.