FED 1994/439
Niet onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat er niet sprake is van schenking in formele zin van f 8640, maar dat kwijtschelding van de ultimo 1984 vervallende rentetermijn is overeengekomen. Het hof heeft met juistheid geoordeeld dat de verbintenis tot betaling van de rentetermijn niet door verrekening, maar door kwijtschelding is tenietgegaan.
HR 08-06-1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5683, m.nt. B. Wessels
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
8 juni 1994
- Magistraten
Stoffer; Urlings; Zuurmond; Herrmann; Fleers; Soest, van
- Zaaknummer
28 569
- Noot
B. Wessels
- LJN
ZC5683
- JCDI
JCDI:ADS225145:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1994:ZC5683, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑06‑1994
- Wetingang
art. 35 Wet IB 1964
Essentie
Niet onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat er niet sprake is van schenking in formele zin van f 8640, maar dat kwijtschelding van de ultimo 1984 vervallende rentetermijn is overeengekomen. Het hof heeft met juistheid geoordeeld dat de verbintenis tot betaling van de rentetermijn niet door verrekening, maar door kwijtschelding is tenietgegaan.
Uitspraak
Het geschil betrof de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1984.
Vaststaat:
3.1. Belanghebbende is gehuwd met mevrouw X-Y. Blijkens een overeenkomst van geldlening, gedagtekend 1 augustus 1983, ontving belanghebbendes echtgenote van haar vader, de heer Y, die destijds woonde te Q (België), per die datum ten ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.