FED 1996/422
De premie-obligatielening: de fiscale werkelijkheid voor de intermediërende bank.
HR 24-04-1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1941, m.nt. T. Blokland
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24 april 1996
- Magistraten
Jansen, R.J.J.; Linde, van der; Bellaart; Putt-Lauwers, van der; Brunschot, van; Soest, van
- Zaaknummer
31143
- Noot
T. Blokland
- LJN
AA1941
- JCDI
JCDI:ADS225425:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:PHR:1996:AA1941, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 24‑04‑1996
ECLI:NL:HR:1996:AA1941, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑04‑1996
- Wetingang
Art. 9 Wet IB 1964
Essentie
De premie-obligatielening: de fiscale werkelijkheid voor de intermediërende bank.
Uitspraak
Het geschil betrof de aanslag vennootschapsbelasting 1988.
Op het beroep in cassatie van de staatssecretaris overweegt de Hoge Raad:
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
3.1.1. De Vereniging A heeft in mei 1988 een renteloze premie-obligatielening, nominaal groot f 275 000 000, uitgegeven in stukken van f 1000 tegen een koers van 100% met een looptijd van 10 jaar. Gedurende de looptijd, te beginnen in juni 1988, wordt maandelijks één obligatie uitgeloot waarop een bedrag van f 1 000 000 wordt uitbetaald. De obligaties werden ter ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.