Op grond van art. AL lid 1Invoeringswet IB 2001 blijven de bepalingen van de Wet IB 1964, zoals die luidden op 31 december 2000, van toepassing op 31 december 2000 al bestaande kapitaalverzekeringen. Het te belasten voordeel wordt dus bepaald op basis van de bepalingen van de Wet IB 1964. Het voordeel wordt vanaf 2001 op grond van art. AL lid 2Invoeringswet IB 2001 belast in box 1. In de Wet IB 1964 werd het voordeel uit een kapitaalverzekering beschreven in art. 25 lid 1 onderdeel c Wet IB 1964. Art. 26a Wet IB 1964 bepaald onder welke voorwaarden de rente begrepen in de kapitaalsuitkering vrijgesteld wordt en tot welk bedrag die vrijstelling geldt.
Na een inleiding in aant. 1.1 wordt in aant. 1.2 het ontstaan van art. 26a Wet IB 1964 behandeld. In aant. 1.3 is een literatuuroverzicht opgenomen, gevolgd door doel en strekking van de bepaling (aant. 1.4) en de context van de bepaling (aant. 1.6). De vrijstelling kapitaalsuitkering bij overlijden wordt besproken in aant. 2 en de vrijstelling van de kapitaalsuitkering bij leven in aant. 3. Het overgangsregime voor reeds op 31 december 1991 bestaande kapitaalverzekeringen (pré brede herwaardering) komt aan de orde in aant. 4.
De aantekeningen op art. 26a bevatten het commentaar op dit artikel zoals ingevoerd bij de wet van 12 december 1991, Stb. 1991, 697. Het gaat om de vrijstellingen voor het rentebestanddeel in kapitaalsuitkeringen uit levensverzekering. Tot 1991 waren vergelijkbare bepalingen opgenomen in art. 25 lid 1 onderdeel c Wet IB 1964 en art. 26 lid 1 onderdeel b en art. 26 lid 2. Voor het commentaar op de oude teksten wordt verwezen naar het commentaar op art. 76 Wet IB 1964, wat ook is opgenomen in dit blok aanverwante wetgeving.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 26a Wet IB 1964, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 14-04-2026
14-04-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/51 en V-N 2026/15.28
11-01-1992 tot: 01-01-2001
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 26a Wet IB 1964, aant. 1.1
Inkomstenbelasting (V)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Wet op de inkomstenbelasting 1964 artikel 26a
Beschouwing
Op grond van art. AL lid 1Invoeringswet IB 2001 blijven de bepalingen van de Wet IB 1964, zoals die luidden op 31 december 2000, van toepassing op 31 december 2000 al bestaande kapitaalverzekeringen. Het te belasten voordeel wordt dus bepaald op basis van de bepalingen van de Wet IB 1964. Het voordeel wordt vanaf 2001 op grond van art. AL lid 2Invoeringswet IB 2001 belast in box 1. In de Wet IB 1964 werd het voordeel uit een kapitaalverzekering beschreven in art. 25 lid 1 onderdeel c Wet IB 1964. Art. 26a Wet IB 1964 bepaald onder welke voorwaarden de rente begrepen in de kapitaalsuitkering vrijgesteld wordt en tot welk bedrag die vrijstelling geldt.
Na een inleiding in aant. 1.1 wordt in aant. 1.2 het ontstaan van art. 26a Wet IB 1964 behandeld. In aant. 1.3 is een literatuuroverzicht opgenomen, gevolgd door doel en strekking van de bepaling (aant. 1.4) en de context van de bepaling (aant. 1.6). De vrijstelling kapitaalsuitkering bij overlijden wordt besproken in aant. 2 en de vrijstelling van de kapitaalsuitkering bij leven in aant. 3. Het overgangsregime voor reeds op 31 december 1991 bestaande kapitaalverzekeringen (pré brede herwaardering) komt aan de orde in aant. 4.
De aantekeningen op art. 26a bevatten het commentaar op dit artikel zoals ingevoerd bij de wet van 12 december 1991, Stb. 1991, 697. Het gaat om de vrijstellingen voor het rentebestanddeel in kapitaalsuitkeringen uit levensverzekering. Tot 1991 waren vergelijkbare bepalingen opgenomen in art. 25 lid 1 onderdeel c Wet IB 1964 en art. 26 lid 1 onderdeel b en art. 26 lid 2. Voor het commentaar op de oude teksten wordt verwezen naar het commentaar op art. 76 Wet IB 1964, wat ook is opgenomen in dit blok aanverwante wetgeving.