Art. 11 Nederlands-Japanse belastingverdrag van 3 maart 1970 regelt wie van beide landen, Nederland of Japan, heffingsbevoegd is met betrekking tot dividenden. In aant. 1.2 wordt het ontstaan van art. 11 behandeld. Vervolgens worden in aant. 1.4 doel en strekking van art. 11 behandeld. De context van art. 11 is uiteengezet in aant. 1.6. Ten slotte is in aant. 1.17 een aantal in art. 11 gehanteerde uitdrukkingen nader beschreven.
Het eerste lid bepaalt dat het land wiens inwoner dividenden ontvangt van een in het andere land gevestigd lichaam, deze dividenden in de belastingheffing mag betrekken (zie aant. 2). Volgens het tweede lid heeft echter ook het land waarin het uitkerende lichaam is gevestigd, de bronstaat, een beperkt heffingsrecht over deze dividenden. Dit heffingsrecht van de bronstaat bedraagt maximaal 15 procent van het brutobedrag van de dividenden (zie aant. 3). Indien de uiteindelijke gerechtigde tot de dividenden een lichaam is (niet zijnde een maatschap of vennootschap onder firma) dat onmiddellijk ten minste 25 procent van de stemgerechtigde aandelen van het uitkerende lichaam bezit, bedraagt het heffingsrecht voor de bronstaat op grond van het derde lid 5 procent van het brutobedrag van de dividenden (zie aant. 4). Japan heft op grond van de nationale wetgeving belasting van dividenden naar een tarief van 20 procent. Door Japan zijn geen uitvoeringsvoorschriften vastgesteld bij het Nederlands-Japanse belastingverdrag. Op grond van algemeen geldende Japanse uitvoeringsvoorschriften verleent Japan de in de overeenkomst overeengekomen vermindering van belasting op dividend in beginsel bij uitkering van het dividend. Indien geen verlaging bij de bron heeft plaatsgevonden, kan om teruggaaf van teveel ingehouden belasting worden verzocht door middel van een speciaal formulier . Van Nederlandse zijde zijn wel afzonderlijke uitvoeringsvoorschriften bij het verdrag vastgesteld (zie aant. 3).
Het vierde lid bepaalt dat de bepalingen van het tweede en derde lid de belastingheffing over de winst waaruit de dividenden worden betaald onverlet laten (zie aant. 5). Het vijfde lid omschrijft de uitdrukking 'dividenden' als inkomsten uit aandelen, winstaandelen of winstbewijzen, oprichtersaandelen of andere rechten, met uitzondering van schuldvorderingen, die aanspraak geven op een aandeel in de winst, alsmede inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten die door de belastingwetgeving van het land waarin het uitkerende lichaam is gevestigd met inkomsten uit aandelen worden gelijkgesteld (zie aant. 6). Het zesde lid bevat de 'gebruikelijke' regeling voor de situatie waarin dividenden worden uitgekeerd op aandelen c.a. die moeten worden toegerekend aan een vaste inrichting die de uiteindelijke gerechtigde tot de dividenden heeft in het land waarin het uitkerende lichaam is gevestigd. In die gevallen zijn niet de bepalingen van art. 11, eerste tot en met derde lid, van toepassing, maar de bepalingen van art. 8 (zie aant. 7).
Het zevende lid bevat het 'gebruikelijke' verbod tot extraterritoriale heffing. Dit verbod houdt in dat een verdragsluitende staat geen belastingheffing mag heffen over dividenden die worden uitbetaald door een in de andere verdragsluitende staat gevestigd lichaam die voordelen of inkomsten uit eerstbedoelde staat verkrijgt, ook niet wanneer de dividenden geheel of gedeeltelijk afkomstig zijn uit deze voordelen of inkomsten, behoudens voorzover de dividenden worden ontvangen door een inwoner van eerstbedoelde staat of worden ontvangen op aandelen c.a. die moeten worden toegerekend aan een in die staat gevestigde vaste inrichting of gevestigd vast middelpunt. Mutatis mutandis geldt hetzelfde verbod van belastingheffing over niet-uitgedeelde winsten van het desbetreffende lichaam (zie aant. 8).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Nederlands Internationaal Belastingrecht, art. 11 Belastingverdrag Nederland-Japan 1970, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 02-04-2026
02-04-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/45 en V-N 2026/12.24.
23-10-1970 tot: 29-12-2011
Vakstudie Nederlands Internationaal Belastingrecht, art. 11 Belastingverdrag Nederland-Japan 1970, aant. 1.1
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
belastingverdrag
Japan
Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Japan tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen artikel 11
Beschouwing
Art. 11 Nederlands-Japanse belastingverdrag van 3 maart 1970 regelt wie van beide landen, Nederland of Japan, heffingsbevoegd is met betrekking tot dividenden. In aant. 1.2 wordt het ontstaan van art. 11 behandeld. Vervolgens worden in aant. 1.4 doel en strekking van art. 11 behandeld. De context van art. 11 is uiteengezet in aant. 1.6. Ten slotte is in aant. 1.17 een aantal in art. 11 gehanteerde uitdrukkingen nader beschreven.
Het eerste lid bepaalt dat het land wiens inwoner dividenden ontvangt van een in het andere land gevestigd lichaam, deze dividenden in de belastingheffing mag betrekken (zie aant. 2). Volgens het tweede lid heeft echter ook het land waarin het uitkerende lichaam is gevestigd, de bronstaat, een beperkt heffingsrecht over deze dividenden. Dit heffingsrecht van de bronstaat bedraagt maximaal 15 procent van het brutobedrag van de dividenden (zie aant. 3). Indien de uiteindelijke gerechtigde tot de dividenden een lichaam is (niet zijnde een maatschap of vennootschap onder firma) dat onmiddellijk ten minste 25 procent van de stemgerechtigde aandelen van het uitkerende lichaam bezit, bedraagt het heffingsrecht voor de bronstaat op grond van het derde lid 5 procent van het brutobedrag van de dividenden (zie aant. 4). Japan heft op grond van de nationale wetgeving belasting van dividenden naar een tarief van 20 procent. Door Japan zijn geen uitvoeringsvoorschriften vastgesteld bij het Nederlands-Japanse belastingverdrag. Op grond van algemeen geldende Japanse uitvoeringsvoorschriften verleent Japan de in de overeenkomst overeengekomen vermindering van belasting op dividend in beginsel bij uitkering van het dividend. Indien geen verlaging bij de bron heeft plaatsgevonden, kan om teruggaaf van teveel ingehouden belasting worden verzocht door middel van een speciaal formulier . Van Nederlandse zijde zijn wel afzonderlijke uitvoeringsvoorschriften bij het verdrag vastgesteld (zie aant. 3).
Het vierde lid bepaalt dat de bepalingen van het tweede en derde lid de belastingheffing over de winst waaruit de dividenden worden betaald onverlet laten (zie aant. 5). Het vijfde lid omschrijft de uitdrukking 'dividenden' als inkomsten uit aandelen, winstaandelen of winstbewijzen, oprichtersaandelen of andere rechten, met uitzondering van schuldvorderingen, die aanspraak geven op een aandeel in de winst, alsmede inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten die door de belastingwetgeving van het land waarin het uitkerende lichaam is gevestigd met inkomsten uit aandelen worden gelijkgesteld (zie aant. 6). Het zesde lid bevat de 'gebruikelijke' regeling voor de situatie waarin dividenden worden uitgekeerd op aandelen c.a. die moeten worden toegerekend aan een vaste inrichting die de uiteindelijke gerechtigde tot de dividenden heeft in het land waarin het uitkerende lichaam is gevestigd. In die gevallen zijn niet de bepalingen van art. 11, eerste tot en met derde lid, van toepassing, maar de bepalingen van art. 8 (zie aant. 7).
Het zevende lid bevat het 'gebruikelijke' verbod tot extraterritoriale heffing. Dit verbod houdt in dat een verdragsluitende staat geen belastingheffing mag heffen over dividenden die worden uitbetaald door een in de andere verdragsluitende staat gevestigd lichaam die voordelen of inkomsten uit eerstbedoelde staat verkrijgt, ook niet wanneer de dividenden geheel of gedeeltelijk afkomstig zijn uit deze voordelen of inkomsten, behoudens voorzover de dividenden worden ontvangen door een inwoner van eerstbedoelde staat of worden ontvangen op aandelen c.a. die moeten worden toegerekend aan een in die staat gevestigde vaste inrichting of gevestigd vast middelpunt. Mutatis mutandis geldt hetzelfde verbod van belastingheffing over niet-uitgedeelde winsten van het desbetreffende lichaam (zie aant. 8).