Het fiscale regime voor beleggingsinstellingen is opgenomen in art. 28Wet VPB 1969 en uitgewerkt in het Besluit beleggingsinstellingen (zie art. 1 t/m 12 BBI hierna). Ook op andere plaatsen in de wet komen bijzondere bepalingen voor met betrekking tot beleggingsinstellingen of belangen in beleggingsinstellingen. Zo kunnen bijvoorbeeld verliezen van een beleggingsinstelling slechts worden verrekend met winsten van jaren waarin ook de status van beleggingsinstelling aanwezig is (zie onder art. 3 BBI).
In samenhang met de invoering van art. 3b Wet DB 1965 per 1 januari 2001 is het Besluit beleggingsinstellingen ingrijpend gewijzigd.
Globaal houdt het regime voor beleggingsinstellingen in dat koersresultaten buiten de winst om aan de herbeleggingsreserve worden toegevoegd (of onttrokken). Op de belastbare winst is een tarief van 0% van toepassing mits het uitdeelbare deel van de belastbare winst tijdig, dat wil zeggen binnen acht maanden, wordt uitgedeeld.
Met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2008 heeft een FBI niet langer recht op verrekening van de Nederlandse dividendbelasting en in het verlengde daarvan evenmin op de teruggaaf van dividendbelasting op de voet van art. 10, tweede lid, Wet DB 1965, zoals dat vóór 2008 luidde. Ook de tegemoetkoming voor buitenlandse bronheffingen op de voet van art. 28, eerste lid, onderdeel b, Wet VPB 1969 jo. art. 6BBI, is vervallen (zie art. 6 BBI). In plaats daarvan is de FBI aangewezen op de regeling van de afdrachtvermindering ter zake van de door de FBI ingehouden dividendbelasting. Deze regeling is opgenomen in art. 11a Wet DB 1965.
De verplichting om de fiscale winst geheel uit te delen zou leiden tot zeer gebroken dividendpercentages. Om dit te voorkomen mag men een zogenoemde afrondingsreserve vormen. Deze reserve mag, behoudens in bijzondere gevallen, niet meer zijn dan 1 percent van het gestorte kapitaal. Vaststelling van het dividend in hele percenten van het kapitaal is daardoor steeds mogelijk (zie art. 5 BBI).
In samenhang met de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn ook diverse wijzigingen aangebracht in de voorwaarden voor toepassing van de regeling (zie aant. 6.1–2 en aant. 6.6–7).
Met ingang van 1 augustus 2007 is de opzet van de aandeelhouderseisen gewijzigd. Het onderscheidend criterium tussen 'open' en 'besloten' beleggingsinstellingen, het al dan niet beursgenoteerd zijn, is vervangen door een criterium dat aansluit bij de Wet op het financieel toezicht. In samenhang daarmee is een aantal eisen verletterd, c.q. vernummerd (zie aant. 1.1.1).
De wetgever is huiverig geweest dat het hier in hoofdlijnen beschreven regime zou kunnen worden misbruikt. Vandaar dat een aantal vrij scherp omschreven voorwaarden is gesteld.
Enerzijds wordt een aantal voorwaarden gesteld aan de beleggingsinstelling zelf (zie aant. 3). Deze voorwaarden betreffen met name het begrip beleggen. De statutaire doelstelling moet zijn gericht op belegging van vermogen (zie aant. 3.4). Teneinde het beleggingskarakter te benadrukken zijn ook aan de financiering van de beleggingen strakke formele grenzen gesteld: het leenvermogen mag niet meer bedragen dan 60% van de boekwaarde van de onroerende zaken plus 20% van de boekwaarde van de overige beleggingen (zie aant. 3.6). Bij de Wet overige fiscale maatregelen 2009 zijn maatregelen getroffen om knelpunten weg te nemen bij de belegging in indirect vastgoed.
De belangrijkste voorwaarde is dat de feitelijke werkzaamheid van de beleggingsinstelling bestaat in het beleggen van vermogen. Het begrip beleggen is moeilijk exact te definiëren; de grenzen tussen beleggen in aandelen en participeren in bedrijven zijn vaag, evenals die tussen belegging in onroerend goed en bedrijfsmatige exploitatie (zie aant. 4 en aant. 7).
Anderzijds worden ook voorwaarden gesteld aan de aandeelhouders van een beleggingsinstellingen (zie aant. 6).
Bij de wijziging van het regime voor beleggingsinstellingen in 1990 zijn in verband met mogelijk onbedoeld gebruik voorwaarden gesteld met betrekking tot de aandeelhouders van beleggingsinstellingen. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de 'open' beleggingsinstellingen en de 'besloten' beleggingsinstellingen.
De “open” beleggingsinstelling mag niet beheerst worden door een groot aandeelhouder. Dit is neergelegd in de eis dat het belang niet voor 45% of meer berust bij een lichaam of bij een of meer daarmee verbonden lichamen (zie aant. 6.1).
Voor de “open” beleggingsinstelling is bovendien een voldoende mate van bestuurlijke onafhankelijkheid vereist ten opzichte van lichamen die een belang van 25% of meer in de beleggingsinstelling hebben (zie aant. 6.5).
Een 'besloten' beleggingsinstelling dient voor 75% in handen te zijn van natuurlijke personen, niet-belastingplichtige lichamen of, middellijk of onmiddellijk, van 'open' beleggingsinstellingen. In het wetsvoorstel herziening regime aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting werd oorspronkelijk voorgesteld de “besloten” beleggingsinstelling uit te sluiten van het regime. Uiteindelijk is gekozen voor een maatregel bij de houder van een aanmerkelijk belang in een beleggingsinstelling (zie aant. 6.2).
Voorts is het buitenlandse aandeelhouderschap in beleggingsinstellingen aan grenzen gebonden. Men kan daardoor niet, gebruikmakend van bestaande verdragen, de heffing van inkomstenbelasting over de uitgedeelde winsten op grote schaal frustreren of via een beleggingsinstelling onroerend-goedopbrengsten in laag belaste dividenden transformeren (zie aant. 6.3–6.4).
Alvorens een belastingplichtig lichaam de status van beleggingsinstelling kan verkrijgen, dienen de bestaande stille reserves en fiscale reserves aan de winst te worden toegevoegd (zie art. 10 BBI, aant. 1 en 2 ). Dit is begrijpelijk; immers, zonder deze eis zou de claim vennootschapsbelasting, die op een aantal stille reserves drukt, kunnen worden afgerekend naar het nultarief.
Indien een beleggingsinstelling niet langer aan de wettelijke vereisten van art. 28, tweede lid, voldoet verliest zij haar fiscale status met ingang van het jaar waarin zich dit voordoet. Voldoet men niet aan de uitdelingsplicht dan gaat de status verloren met ingang van het jaar waarin de verplicht uit te delen winst is gemaakt.
Bij het verlies van de fiscale status van beleggingsinstelling dient de afrondingsreserve aan de alsdan belaste winst moeten worden toegevoegd. Een eindafrekening over de stille reserves in de activa op dat moment is niet vereist.
In een aantal gevallen zal bij statusverlies in samenhang met de wijziging van het regime voor beleggingsinstellingen bij de wet van 21 juni 1990, Stb. 1990, 331, bij wijze van overgangsmaatregel een tarief van 15% toepassing kunnen vinden. Tevens kan een splitsing van het boekjaar in twee afzonderlijke delen geboden zijn (zie art. 10 BBI, aant. 3–6). Een vergelijkbare regeling is getroffen in de wet van 13 december 1996, Stb. 1996, 652 (herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting) (zie art. 10 BBI, aant. 7).
Met ingang van 2007 zijn enige redactionele wijzigingen aangebracht in verband met de inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht .
Eveneens met ingang van 2007 zijn het vierde tot en met het zesde lid vervallen bij de Wet werken aan winst.
De wet van 30 oktober 2007, Stb. 2007, 406 (Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten) beoogt de terminologie in, onder meer, art. 28, tweede lid, te doen aansluiten bij wijzigingen in de Wet op het financieel toezicht. Met betrekking tot art. 28 is de tekst van het staatsblad echter onjuist; de wijziging kan niet worden doorgevoerd.'
Bij de wet van 30 september 2010, Stb. 2010, 363 ( Wet geldstelsel BES) is het tweede lid gewijzigd vanwege het uiteenvallen van de Nederlandse Antillen.
Bij de Wet van 8 juli 2011, Stb. 2011, 357, is het tweede lid, onderdeel c, onder 2o, gewijzigd, waardoor ook een instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) een belang van meer dan 45% mag houden in een 'open' beleggingsinstelling. Hierdoor is het mogelijk geworden dat de aandelen van een Nederlandse beleggingsinstelling (master) met de icbe-status voor meer dan 45% in handen zijn van een buitenlandse beleggingsvennootschap (feeder) met de icbe-status, zelfs als deze onderworpen is aan een winstbelasting.
In 2013 hebben enkele technische aanpassingen plaatsgevonden (de Wet van 12 juni 2013, Stb. 2013, 228) en heeft een verdere verruiming van het derde lid plaatsgevonden (de Wet van 18 december 2013, Stb. 2013, 566).
Naar verwachting wordt op Prinsjesdag 2023 het wetsvoorstel vastgoedmaatregel in het fbi-regime ingediend, na consultatie in het eerste kwartaal van 2023 (V-N 2023/15.8). De maatregel strekt ertoe dat het regime voor fiscale beleggingsinstellingen niet langer openstaat voor het rechtstreeks direct beleggen in Nederlands en buitenlands vastgoed(de huidige vastgoed-fbi's zullen derhalve regulier belastingplichtig worden voor de vennootschapsbelasting). Naar verwachting zal de maatregel in werking treden op 1 januari 2025.
Literatuur
H. Vermeulen, Cursus Belastingrecht (Vennootschapsbelasting), Deventer: Kluwer (losbl.), 7.0.1.A.c, bespreekt de inhoud van de faciliteit van de fiscale beleggingsinstelling.
S.A. Stevens en J. Kluft, 'Evaluatie van de FBI en de VBI, beleidsmatig te laat gewogen en te snel politiek gecorrigeerd', WFR 2023/7462, bespreken de SEO-evaluatie van het FBI- en VBI-regime en roepen de wetgever op nog eens kritisch te kijken naar de voorgenomen aanpassing van de Vastgoed-FBI.
H. Vermeulen, Het regime voor de fiscale beleggingsinstelling, Deventer: Kluwer 2012 (derde herziene druk), p. 5-78, bespreekt de wetsgeschiedenis.
D.M. Weber, “Hoe moet worden omgegaan met passieve deelnemingen en passieve inkomsten?”, WFR 2004/6596, p. 1516, merkt op: “Nederland (en andere staten) moeten zich ook eens nader bezinnen over de behandeling van de beleggingsinstelling. De beleggingsinstelling profiteert van een nultarief en Nederland probeert de belastingheffing te halen bij de aandeelhouders. Dit resulteert in allerlei beperkingen als het gaat om buitenlandse aandeelhouders (niet te veel buitenlandse aandeelhouders tussenschuiven; niet te veel belang uiteindelijk bij buitenlandse aandeelhouders). Het zal niet lang duren of het HvJ EG zet een streep door deze discriminaties van buitenlandse aandeelhouders. Dit zal betekenen dat het inkomen van een beleggingsinstelling belastingvrij naar het buitenland kan stromen. Oplossing is om ook hier te kiezen voor toepassing van het territorialiteitsbeginsel. Bijvoorbeeld een lage belastingheffing indien de beleggingen of onroerende zaken aan Nederlands territoir zijn toe te rekenen en geen belasting bij de aandeelhouders. Of, en wellicht beter, geen heffing bij de beleggingsinstelling en altijd (dus geen vrijstellingen) een bronbelasting bij een dividenduitkering aan de binnenlandse en buitenlandse aandeelhouders. Ik weet het, dit roept problemen met belastingverdragen op, maar alleen door een dergelijke ingreep kan de beleggingsinstelling in de toekomst nog door de Europeesrechtelijke beugel en behoudt Nederland haar heffingsrecht.”
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 28 Wet VPB 1969, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 14-05-2026
14-05-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/65 en V-N 2026/19.22.
30-10-1969 tot: -
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 28 Wet VPB 1969, aant. 1.1
Vennootschapsbelasting / Beleggingsinstelling
fiscale beleggingsinstelling
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 28
Beschouwing
Het fiscale regime voor beleggingsinstellingen is opgenomen in art. 28Wet VPB 1969 en uitgewerkt in het Besluit beleggingsinstellingen (zie art. 1 t/m 12 BBI hierna). Ook op andere plaatsen in de wet komen bijzondere bepalingen voor met betrekking tot beleggingsinstellingen of belangen in beleggingsinstellingen. Zo kunnen bijvoorbeeld verliezen van een beleggingsinstelling slechts worden verrekend met winsten van jaren waarin ook de status van beleggingsinstelling aanwezig is (zie onder art. 3 BBI).
In samenhang met de invoering van art. 3b Wet DB 1965 per 1 januari 2001 is het Besluit beleggingsinstellingen ingrijpend gewijzigd.
Globaal houdt het regime voor beleggingsinstellingen in dat koersresultaten buiten de winst om aan de herbeleggingsreserve worden toegevoegd (of onttrokken). Op de belastbare winst is een tarief van 0% van toepassing mits het uitdeelbare deel van de belastbare winst tijdig, dat wil zeggen binnen acht maanden, wordt uitgedeeld.
Met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2008 heeft een FBI niet langer recht op verrekening van de Nederlandse dividendbelasting en in het verlengde daarvan evenmin op de teruggaaf van dividendbelasting op de voet van art. 10, tweede lid, Wet DB 1965, zoals dat vóór 2008 luidde. Ook de tegemoetkoming voor buitenlandse bronheffingen op de voet van art. 28, eerste lid, onderdeel b, Wet VPB 1969 jo. art. 6BBI, is vervallen (zie art. 6 BBI). In plaats daarvan is de FBI aangewezen op de regeling van de afdrachtvermindering ter zake van de door de FBI ingehouden dividendbelasting. Deze regeling is opgenomen in art. 11a Wet DB 1965.
De verplichting om de fiscale winst geheel uit te delen zou leiden tot zeer gebroken dividendpercentages. Om dit te voorkomen mag men een zogenoemde afrondingsreserve vormen. Deze reserve mag, behoudens in bijzondere gevallen, niet meer zijn dan 1 percent van het gestorte kapitaal. Vaststelling van het dividend in hele percenten van het kapitaal is daardoor steeds mogelijk (zie art. 5 BBI).
In samenhang met de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn ook diverse wijzigingen aangebracht in de voorwaarden voor toepassing van de regeling (zie aant. 6.1–2 en aant. 6.6–7).
Met ingang van 1 augustus 2007 is de opzet van de aandeelhouderseisen gewijzigd. Het onderscheidend criterium tussen 'open' en 'besloten' beleggingsinstellingen, het al dan niet beursgenoteerd zijn, is vervangen door een criterium dat aansluit bij de Wet op het financieel toezicht. In samenhang daarmee is een aantal eisen verletterd, c.q. vernummerd (zie aant. 1.1.1).
De wetgever is huiverig geweest dat het hier in hoofdlijnen beschreven regime zou kunnen worden misbruikt. Vandaar dat een aantal vrij scherp omschreven voorwaarden is gesteld.
Enerzijds wordt een aantal voorwaarden gesteld aan de beleggingsinstelling zelf (zie aant. 3). Deze voorwaarden betreffen met name het begrip beleggen. De statutaire doelstelling moet zijn gericht op belegging van vermogen (zie aant. 3.4). Teneinde het beleggingskarakter te benadrukken zijn ook aan de financiering van de beleggingen strakke formele grenzen gesteld: het leenvermogen mag niet meer bedragen dan 60% van de boekwaarde van de onroerende zaken plus 20% van de boekwaarde van de overige beleggingen (zie aant. 3.6). Bij de Wet overige fiscale maatregelen 2009 zijn maatregelen getroffen om knelpunten weg te nemen bij de belegging in indirect vastgoed.
De belangrijkste voorwaarde is dat de feitelijke werkzaamheid van de beleggingsinstelling bestaat in het beleggen van vermogen. Het begrip beleggen is moeilijk exact te definiëren; de grenzen tussen beleggen in aandelen en participeren in bedrijven zijn vaag, evenals die tussen belegging in onroerend goed en bedrijfsmatige exploitatie (zie aant. 4 en aant. 7).
Anderzijds worden ook voorwaarden gesteld aan de aandeelhouders van een beleggingsinstellingen (zie aant. 6).
Bij de wijziging van het regime voor beleggingsinstellingen in 1990 zijn in verband met mogelijk onbedoeld gebruik voorwaarden gesteld met betrekking tot de aandeelhouders van beleggingsinstellingen. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de 'open' beleggingsinstellingen en de 'besloten' beleggingsinstellingen.
De “open” beleggingsinstelling mag niet beheerst worden door een groot aandeelhouder. Dit is neergelegd in de eis dat het belang niet voor 45% of meer berust bij een lichaam of bij een of meer daarmee verbonden lichamen (zie aant. 6.1).
Voor de “open” beleggingsinstelling is bovendien een voldoende mate van bestuurlijke onafhankelijkheid vereist ten opzichte van lichamen die een belang van 25% of meer in de beleggingsinstelling hebben (zie aant. 6.5).
Een 'besloten' beleggingsinstelling dient voor 75% in handen te zijn van natuurlijke personen, niet-belastingplichtige lichamen of, middellijk of onmiddellijk, van 'open' beleggingsinstellingen. In het wetsvoorstel herziening regime aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting werd oorspronkelijk voorgesteld de “besloten” beleggingsinstelling uit te sluiten van het regime. Uiteindelijk is gekozen voor een maatregel bij de houder van een aanmerkelijk belang in een beleggingsinstelling (zie aant. 6.2).
Voorts is het buitenlandse aandeelhouderschap in beleggingsinstellingen aan grenzen gebonden. Men kan daardoor niet, gebruikmakend van bestaande verdragen, de heffing van inkomstenbelasting over de uitgedeelde winsten op grote schaal frustreren of via een beleggingsinstelling onroerend-goedopbrengsten in laag belaste dividenden transformeren (zie aant. 6.3–6.4).
Alvorens een belastingplichtig lichaam de status van beleggingsinstelling kan verkrijgen, dienen de bestaande stille reserves en fiscale reserves aan de winst te worden toegevoegd (zie art. 10 BBI, aant. 1 en 2 ). Dit is begrijpelijk; immers, zonder deze eis zou de claim vennootschapsbelasting, die op een aantal stille reserves drukt, kunnen worden afgerekend naar het nultarief.
Indien een beleggingsinstelling niet langer aan de wettelijke vereisten van art. 28, tweede lid, voldoet verliest zij haar fiscale status met ingang van het jaar waarin zich dit voordoet. Voldoet men niet aan de uitdelingsplicht dan gaat de status verloren met ingang van het jaar waarin de verplicht uit te delen winst is gemaakt.
Bij het verlies van de fiscale status van beleggingsinstelling dient de afrondingsreserve aan de alsdan belaste winst moeten worden toegevoegd. Een eindafrekening over de stille reserves in de activa op dat moment is niet vereist.
In een aantal gevallen zal bij statusverlies in samenhang met de wijziging van het regime voor beleggingsinstellingen bij de wet van 21 juni 1990, Stb. 1990, 331, bij wijze van overgangsmaatregel een tarief van 15% toepassing kunnen vinden. Tevens kan een splitsing van het boekjaar in twee afzonderlijke delen geboden zijn (zie art. 10 BBI, aant. 3–6). Een vergelijkbare regeling is getroffen in de wet van 13 december 1996, Stb. 1996, 652 (herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting) (zie art. 10 BBI, aant. 7).
Met ingang van 2007 zijn enige redactionele wijzigingen aangebracht in verband met de inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht .
Eveneens met ingang van 2007 zijn het vierde tot en met het zesde lid vervallen bij de Wet werken aan winst.
De wet van 30 oktober 2007, Stb. 2007, 406 (Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten) beoogt de terminologie in, onder meer, art. 28, tweede lid, te doen aansluiten bij wijzigingen in de Wet op het financieel toezicht. Met betrekking tot art. 28 is de tekst van het staatsblad echter onjuist; de wijziging kan niet worden doorgevoerd.'
Bij de wet van 30 september 2010, Stb. 2010, 363 ( Wet geldstelsel BES) is het tweede lid gewijzigd vanwege het uiteenvallen van de Nederlandse Antillen.
Bij de Wet van 8 juli 2011, Stb. 2011, 357, is het tweede lid, onderdeel c, onder 2o, gewijzigd, waardoor ook een instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) een belang van meer dan 45% mag houden in een 'open' beleggingsinstelling. Hierdoor is het mogelijk geworden dat de aandelen van een Nederlandse beleggingsinstelling (master) met de icbe-status voor meer dan 45% in handen zijn van een buitenlandse beleggingsvennootschap (feeder) met de icbe-status, zelfs als deze onderworpen is aan een winstbelasting.
In 2013 hebben enkele technische aanpassingen plaatsgevonden (de Wet van 12 juni 2013, Stb. 2013, 228) en heeft een verdere verruiming van het derde lid plaatsgevonden (de Wet van 18 december 2013, Stb. 2013, 566).
Naar verwachting wordt op Prinsjesdag 2023 het wetsvoorstel vastgoedmaatregel in het fbi-regime ingediend, na consultatie in het eerste kwartaal van 2023 (V-N 2023/15.8). De maatregel strekt ertoe dat het regime voor fiscale beleggingsinstellingen niet langer openstaat voor het rechtstreeks direct beleggen in Nederlands en buitenlands vastgoed(de huidige vastgoed-fbi's zullen derhalve regulier belastingplichtig worden voor de vennootschapsbelasting). Naar verwachting zal de maatregel in werking treden op 1 januari 2025.
H. Vermeulen, Cursus Belastingrecht (Vennootschapsbelasting), Deventer: Kluwer (losbl.), 7.0.1.A.c, bespreekt de inhoud van de faciliteit van de fiscale beleggingsinstelling.
S.A. Stevens en J. Kluft, 'Evaluatie van de FBI en de VBI, beleidsmatig te laat gewogen en te snel politiek gecorrigeerd', WFR 2023/7462, bespreken de SEO-evaluatie van het FBI- en VBI-regime en roepen de wetgever op nog eens kritisch te kijken naar de voorgenomen aanpassing van de Vastgoed-FBI.
H. Vermeulen, Het regime voor de fiscale beleggingsinstelling, Deventer: Kluwer 2012 (derde herziene druk), p. 5-78, bespreekt de wetsgeschiedenis.
D.M. Weber, “Hoe moet worden omgegaan met passieve deelnemingen en passieve inkomsten?”, WFR 2004/6596, p. 1516, merkt op: “Nederland (en andere staten) moeten zich ook eens nader bezinnen over de behandeling van de beleggingsinstelling. De beleggingsinstelling profiteert van een nultarief en Nederland probeert de belastingheffing te halen bij de aandeelhouders. Dit resulteert in allerlei beperkingen als het gaat om buitenlandse aandeelhouders (niet te veel buitenlandse aandeelhouders tussenschuiven; niet te veel belang uiteindelijk bij buitenlandse aandeelhouders). Het zal niet lang duren of het HvJ EG zet een streep door deze discriminaties van buitenlandse aandeelhouders. Dit zal betekenen dat het inkomen van een beleggingsinstelling belastingvrij naar het buitenland kan stromen. Oplossing is om ook hier te kiezen voor toepassing van het territorialiteitsbeginsel. Bijvoorbeeld een lage belastingheffing indien de beleggingen of onroerende zaken aan Nederlands territoir zijn toe te rekenen en geen belasting bij de aandeelhouders. Of, en wellicht beter, geen heffing bij de beleggingsinstelling en altijd (dus geen vrijstellingen) een bronbelasting bij een dividenduitkering aan de binnenlandse en buitenlandse aandeelhouders. Ik weet het, dit roept problemen met belastingverdragen op, maar alleen door een dergelijke ingreep kan de beleggingsinstelling in de toekomst nog door de Europeesrechtelijke beugel en behoudt Nederland haar heffingsrecht.”
Aant. 1.1.1 Transponeringstabel aandeelhoudersvereisten