HR, 06-10-2006, nr. 42 747
ECLI:NL:HR:2006:AY9501
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-10-2006
- Zaaknummer
42 747
- LJN
AY9501
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2006:AY9501, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑10‑2006; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2005:AU9886
- Vindplaatsen
BNB 2007/58 met annotatie van P.H.J. Essers
Belastingadvies 2006/21.10
NTFR 2006/1433
FutD 2006-1823
Viditax (FutD) 2006100605
Uitspraak 06‑10‑2006
Nr. 42.747
6 oktober 2006
SE
gewezen op de beroepen in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 september 2005, nrs. P04/04643 en 04/04644, betreffende na te melden aanslagen in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslagen, bezwaren en gedingen voor het Hof
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2001 en 2002 aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 55.606, respectievelijk € 91.920, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft bij afzonderlijke uitspraken de beroepen ongegrond verklaard. De uitspraken van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraken bij afzonderlijke beroepschriften beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Hoge Raad heeft de zaken ter behandeling gevoegd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende drijft een handel in kinderartikelen. In de jaren 1997, 1998 en 1999 heeft zij positieve belastbare winsten behaald. Bij afzonderlijke beschikkingen is de over die jaren verschuldigde belasting geheel verrekend met investeringsbijdragen (WIR) uit eerdere jaren.
3.2. Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur bij de vaststelling van de aanslagen voor de jaren 2001 en 2002 terecht geen rekening heeft gehouden met de investeringsbijdragen (WIR) die als het ware herleefden als gevolg van de achterwaartse verliesverrekening.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de 'herleefde' investeringsbijdragen moeten worden aangemerkt als investeringsbijdragen van het jaar 2000. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat die investeringsbijdragen niet meer verrekend kunnen worden, aangezien de per 31 december 1999 onverrekend gebleven investeringsbijdragen na die datum daarvoor niet langer in aanmerking komen. Dat de gewijzigde wetgeving ter zake van investeringsbijdragen een dergelijke consequentie kon hebben, is - aldus het Hof - door de wetgever onderkend en aanvaard.
3.4. De door belanghebbende voorgestelde middelen, die voornoemde oordelen van het Hof bestrijden, falen. Het Hof heeft op goede gronden een juiste beslissing gegeven, met dien verstande dat waar het Hof verwijst naar de Wet van 3 juli 1999, bedoeld zal zijn de Wet van 3 juli 1991.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2006.