Art. 13a Wet LB 1964 is met ingang van 1 januari 1997 ingevoegd ingevolge de wet van 13 december 1996, Stb. 1996, 652 (herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting). Tot die datum was het voor de loonbelasting geldende genietingsmoment slechts impliciet geregeld in art. 27 Wet LB 1964. Reden voor de invoering van art. 13a Wet LB 1964 was enerzijds gelegen in de wens te komen tot een meer systematische regeling van het genietingstijdstip in de loonbelasting (aant. 2) en anderzijds in de introductie van de zogenoemde gebruikelijkloonregeling (of fictiefloonregeling) van art. 12a Wet LB 1964 (aant. 19 ).
Het genietingstijdstip voor de loonbelasting is in beginsel gelijk aan dat voor de inkomstenbelasting (aant. 3).
Als genietingstijdstip noemt art. 13a lid 1 Wet LB 1964 het tijdstip waarop het loon wordt betaald (aant. 4), het tijdstip waarop het loon wordt verrekend (aant. 7), het tijdstip waarop het loon ter beschikking van de werknemer wordt gesteld (aant. 8), het tijdstip waarop het loon rentedragend wordt (aant. 9) en het tijdstip waarop het loon vorderbaar en inbaar wordt (aant. 10).
Voor een aantal specifieke situaties met betrekking tot het (tijdstip van) genieten van loon zijn in de jurisprudentie en in beleidsbesluiten nadere regels ontwikkeld (aant. 11).
Indien is overeengekomen dat loon geheel of gedeeltelijk op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten, wordt dit loon ingevolge art 13a,lid 2Wet LB 1964 bij wijze van fictie geacht toch op het gebruikelijke tijdstip te zijn genoten (aant. 16). In art. 39 Wet LB 1964 is het bij deze bepaling behorende overgangsrecht opgenomen (zie art. 39 Wet LB 1964).
Indien aanmerkelijkbelanghouders uit hun vennootschap een lager loon genieten dan gebruikelijk is, kan hun loon ingevolge art. 12a Wet LB 1964 op een hoger bedrag worden gesteld. Art. 13a lid 3 Wet LB 1964 geeft het daarbij behorende (fictieve) genietingstijdstip aan ( aant. 18).
In art. 13a lid 4 onderdeel a, b en c Wet LB 1964 zijn drie in art. 10a Wet LB 1964 beoogde genietingsmomenten ter zake van aandelenoptierechten expliciet benoemd (aant. 19).
Ingevolge art. 13a lid 4onderdeel d, Wet LB 1964 wordt loon dat ingevolge art. 27bis Wet LB 1964 is begrepen in de laatste aangifte van het kalenderjaar, in afwijking van het eerste lid geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt (aant. 20).
Op grond van art. 13a lid 7 Wet LB 1964 wordt loon dat door de inhoudingsplichtige overeenkomstig een door hem bestendig gevolgde gedragslijn aan een eerder in het kalenderjaar gelegen tijdvak wordt toegerekend dan het tijdvak waarin het ingevolge het eerste lid wordt genoten, geacht in dat eerdere tijdvak te zijn genoten (aant. 22).
Hierna wordt ingegaan op het ontstaan van de bepaling (aant. 1.2), het literatuuroverzicht (aant. 1.3), doel en strekking (aant. 1.4), de context van de bepaling (aant. 1.6) en parlementaire varia (aant. 1.20).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Loonbelasting en Premieheffingen, art. 13a Wet LB 1964, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 18-05-2026
18-05-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/70 en V-N 2026/19.22
01-01-1997 tot: -
Vakstudie Loonbelasting en Premieheffingen, art. 13a Wet LB 1964, aant. 1.1
Loonbelasting / Loon
Verzekeringsrecht / Pensioenrecht
genietingstijdstip loon
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 13a
Beschouwing
Art. 13a Wet LB 1964 is met ingang van 1 januari 1997 ingevoegd ingevolge de wet van 13 december 1996, Stb. 1996, 652 (herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting). Tot die datum was het voor de loonbelasting geldende genietingsmoment slechts impliciet geregeld in art. 27 Wet LB 1964. Reden voor de invoering van art. 13a Wet LB 1964 was enerzijds gelegen in de wens te komen tot een meer systematische regeling van het genietingstijdstip in de loonbelasting (aant. 2) en anderzijds in de introductie van de zogenoemde gebruikelijkloonregeling (of fictiefloonregeling) van art. 12a Wet LB 1964 (aant. 19 ).
Het genietingstijdstip voor de loonbelasting is in beginsel gelijk aan dat voor de inkomstenbelasting (aant. 3).
Als genietingstijdstip noemt art. 13a lid 1 Wet LB 1964 het tijdstip waarop het loon wordt betaald (aant. 4), het tijdstip waarop het loon wordt verrekend (aant. 7), het tijdstip waarop het loon ter beschikking van de werknemer wordt gesteld (aant. 8), het tijdstip waarop het loon rentedragend wordt (aant. 9) en het tijdstip waarop het loon vorderbaar en inbaar wordt (aant. 10).
Voor een aantal specifieke situaties met betrekking tot het (tijdstip van) genieten van loon zijn in de jurisprudentie en in beleidsbesluiten nadere regels ontwikkeld (aant. 11).
Indien is overeengekomen dat loon geheel of gedeeltelijk op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten, wordt dit loon ingevolge art 13a,lid 2Wet LB 1964 bij wijze van fictie geacht toch op het gebruikelijke tijdstip te zijn genoten (aant. 16). In art. 39 Wet LB 1964 is het bij deze bepaling behorende overgangsrecht opgenomen (zie art. 39 Wet LB 1964).
Indien aanmerkelijkbelanghouders uit hun vennootschap een lager loon genieten dan gebruikelijk is, kan hun loon ingevolge art. 12a Wet LB 1964 op een hoger bedrag worden gesteld. Art. 13a lid 3 Wet LB 1964 geeft het daarbij behorende (fictieve) genietingstijdstip aan ( aant. 18).
In art. 13a lid 4 onderdeel a, b en c Wet LB 1964 zijn drie in art. 10a Wet LB 1964 beoogde genietingsmomenten ter zake van aandelenoptierechten expliciet benoemd (aant. 19).
Ingevolge art. 13a lid 4onderdeel d, Wet LB 1964 wordt loon dat ingevolge art. 27bis Wet LB 1964 is begrepen in de laatste aangifte van het kalenderjaar, in afwijking van het eerste lid geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt (aant. 20).
Art. 13a lid 4 onderdeel e, lid 5 en lid 6 Wet LB 1964 bevat een regeling voor het genietingsmoment van in hoogte verschillende reiskostenvergoedingen (aant. 21).
Op grond van art. 13a lid 7 Wet LB 1964 wordt loon dat door de inhoudingsplichtige overeenkomstig een door hem bestendig gevolgde gedragslijn aan een eerder in het kalenderjaar gelegen tijdvak wordt toegerekend dan het tijdvak waarin het ingevolge het eerste lid wordt genoten, geacht in dat eerdere tijdvak te zijn genoten (aant. 22).
Hierna wordt ingegaan op het ontstaan van de bepaling (aant. 1.2), het literatuuroverzicht (aant. 1.3), doel en strekking (aant. 1.4), de context van de bepaling (aant. 1.6) en parlementaire varia (aant. 1.20).