FED 1993/143:Eerste cassatiemiddel verworpen met verkorte motivering (art. 101a RO). Het hof was niet gehouden ambtshalve te onderzoeken of de gronden van de verhoging in overeenstemming met art. 6, derde lid, letter a, EVRM zijn meegedeeld. Het bewijs van de feiten waarop de verhoging steunt moet geleverd worden met inachtneming van de waarborgen die gelegen zijn in het 'fair trial'-beginsel en in het vermoeden van onschuld. Dit behoeft geen wettig en overtuigend bewijs te zijn in de zin van de art. 338 e.v. Sv; de belastingrechter mag ook gebruik maken van bewijs door vermoedens. In dit geval kan niet gezegd worden dat de redelijke termijn is overschreden.