FED 1993/143
Eerste cassatiemiddel verworpen met verkorte motivering (art. 101a RO). Het hof was niet gehouden ambtshalve te onderzoeken of de gronden van de verhoging in overeenstemming met art. 6, derde lid, letter a, EVRM zijn meegedeeld. Het bewijs van de feiten waarop de verhoging steunt moet geleverd worden met inachtneming van de waarborgen die gelegen zijn in het 'fair trial'-beginsel en in het vermoeden van onschuld. Dit behoeft geen wettig en overtuigend bewijs te zijn in de zin van de art. 338 e.v. Sv; de belastingrechter mag ook gebruik maken van bewijs door vermoedens. In dit geval kan niet gezegd worden dat de redelijke termijn is overschreden.
HR 18-11-1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5166, m.nt. M.W.C. Feteris
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18 november 1992
- Magistraten
Stoffer; Mijnssen; Wildeboer; Urlings; Herrmann
- Zaaknummer
28 148
- Noot
M.W.C. Feteris
- LJN
ZC5166
- JCDI
JCDI:ADS210168:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1992:ZC5166, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑11‑1992
- Wetingang
Essentie
Eerste cassatiemiddel verworpen met verkorte motivering (art. 101a RO). Het hof was niet gehouden ambtshalve te onderzoeken of de gronden van de verhoging in overeenstemming met art. 6, derde lid, letter a, EVRM zijn meegedeeld. Het bewijs van de feiten waarop de verhoging steunt moet geleverd worden met inachtneming van de waarborgen die gelegen zijn in het 'fair trial'-commit; beginsel en in het vermoeden van onschuld. Dit behoeft geen wettig en overtuigend bewijs te zijn in de zin van de art. 338 e.v. Sv; de belastingrechter mag ook gebruik maken van bewijs door vermoedens. In dit geval kan niet ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.