Art. 20, lid 1, Wet VPB 1969, geeft aan wat als een verlies wordt aangemerkt; verlies is het negatieve bedrag waartoe de berekening van de belastbare winst of van het Nederlandse inkomen leidt.
De regeling geldt zowel voor binnenlandse als buitenlandse belastingplichtigen (aant. 2).
Een bij beschikking vastgesteld verlies kan op grond van art. 20, lid 2, Wet VPB 1969, achtereenvolgens worden verrekend met de positieve winst of het Nederlandse inkomens van het voorafgaande jaar (achterwaartse verliesverrekening of carry-back) en de volgende jaren (voorwaartse verliesverrekening of carry-forward) (aant. 4).
Verliezen zijn (per 1 januari 2022) in de tijd onbeperkt voorwaarts verrekenbaar. Aan de omvang van het jaarlijks (zowel voorwaarts als achterwaarts) te verrekenen verlies is echter een beperking aangebracht. Verliezen tot een bedrag van € 1 miljoen zijn jaarlijks volledig verrekenbaar met de belastbare winst, maar boven dat bedrag van € 1 miljoen is het verlies slechts verrekenbaar met 50% van de resterende belastbare winst van dat jaar.
Tot en met 2021 “verdampte” een verlies als het ware als de termijn voor het voorwaarts verrekenen van een verlies (verstreek. Dat leidde tot hernieuwde aandacht voor het “leerstuk” van de verliesverjonging (aant. 5).
Art. 20, lid 4, Wet VPB 1969, schrijft voor in welke volgorde verliezen worden verrekend (aant. 9).
De verliesverrekening bij een beleggingsinstelling in de zin van art. 28 Wet VPB 1969 is in art. 20, lid 3, Wet VPB 1969, op een bijzondere manier geregeld (aant. 6).
In art. 20, lid 5 en lid 6, Wet VPB 1969, is een bijzondere regeling getroffen voor belastingplichtigen waarbij natuurlijke personen betrokken zijn die op grond van hun overtuiging zeer principiële bezwaren hebben tegen verzekeren (gemoedsbezwaarden). Onder omstandigheden wordt de in art. 20, lid 2, Wet VPB 1969, opgenomen termijn voor het achterwaarts verrekenen van een verlies speciaal voor deze belastingplichtigen verlengd (aant. 11).
Vervallen regelingen
Tot en met 2018 was in art. 20, lid 4 tot en met lid 6, Wet VPB 1969, een regeling opgenomen die ertoe strekte dat verliezen die voortvloeiden uit houdster- of financieringsactiviteiten niet onbeperkt in mindering kwamen op winsten uit andersoortige werkzaamheden (aant. 7). De houdsterverliesregeling is afgeschaft bij de wet van 19 december 2018, Stb. 2018, 505 (Wet bedrijfsleven 2019). De bepaling is ingevolge art. 9.2 van deze wet niet meer van toepassing op boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2019. Daarnaast is in art. 34i Wet VPB 1969 echter een overgangsregeling opgenomen. Deze overgangsregeling houdt in dat verrekenbare verliezen van vóór 2019, die zijn aangemerkt als houdster- of financieringsverliezen, ook in boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2019 slechts verrekenbaar blijven met houdster- of financieringswinsten.
In de crisisjaren 2009 tot en met 2011 was in art. 20, lid 10 en lid 11, Wet VPB 1969, de keuzemogelijkheid opgenomen om de termijn voor achterwaartse verliescompensatie met twee extra jaren te verlengen tot drie jaren. Indien van deze keuze gebruik werd gemaakt, dan werd in ruil daarvoor de termijn voor voorwaartse verliesverrekening ingekort van negen jaar tot zes jaar. Verder gold voor de extra (winst)jaren waarmee het verlies achterwaarts verrekend kan worden een 'verliesverrekeningsplafond' van € 10 miljoen per (winst)jaar.
Tot en met 2000 waren verliezen op grond van art. 20, lid 5, Wet VPB 1969 niet meer verrekenbaar ingeval de belastingplichtige zijn onderneming geheel of nagenoeg had gestaakt en de naderhand gemaakte winsten niet meer hoofdzakelijk ten goede konden komen aan de natuurlijke personen die op het tijdstip van staking onmiddellijk of middellijk aandeelhouder waren (aant. 15 tot en met 21). Deze regeling is met ingang van 2001 bij de wet van 14 december 2000, Stb. 2000, 567, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. in verband met de tweede tranche van het ondernemerspakket 2001 (Wet ondernemerspakket 2001) vervangen door art. 20a Wet VPB 1969.
Tot en met 1994 gold voor aanloopverliezen – dat wil zeggen verliezen die werden geleden gedurende de eerste zes jaren na de stichting van de onderneming – een bijzondere regeling (aant. 25). De aanloopverliesregeling is bij wet van 23 december 1994, Stb. 1994, 937 (Wet onbeperkte voorwaartse verrekening van ondernemingsverliezen en vaststelling van verliezen bij beschikking), vervallen als gevolg van de invoering van de onbeperkte voorwaartse verliesverrekening.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 20 Wet VPB 1969, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 01-05-2026
01-05-2026, Het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/51 en V-N 2026/15.28.
30-10-1969 tot: -
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 20 Wet VPB 1969, aant. 1.1
Vennootschapsbelasting / Verliesverrekening
verliesverrekening
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 20
Beschouwing
Art. 20, lid 1, Wet VPB 1969, geeft aan wat als een verlies wordt aangemerkt; verlies is het negatieve bedrag waartoe de berekening van de belastbare winst of van het Nederlandse inkomen leidt.
De regeling geldt zowel voor binnenlandse als buitenlandse belastingplichtigen (aant. 2).
Een bij beschikking vastgesteld verlies kan op grond van art. 20, lid 2, Wet VPB 1969, achtereenvolgens worden verrekend met de positieve winst of het Nederlandse inkomens van het voorafgaande jaar (achterwaartse verliesverrekening of carry-back) en de volgende jaren (voorwaartse verliesverrekening of carry-forward) (aant. 4).
Verliezen zijn (per 1 januari 2022) in de tijd onbeperkt voorwaarts verrekenbaar. Aan de omvang van het jaarlijks (zowel voorwaarts als achterwaarts) te verrekenen verlies is echter een beperking aangebracht. Verliezen tot een bedrag van € 1 miljoen zijn jaarlijks volledig verrekenbaar met de belastbare winst, maar boven dat bedrag van € 1 miljoen is het verlies slechts verrekenbaar met 50% van de resterende belastbare winst van dat jaar.
Tot en met 2021 “verdampte” een verlies als het ware als de termijn voor het voorwaarts verrekenen van een verlies (verstreek. Dat leidde tot hernieuwde aandacht voor het “leerstuk” van de verliesverjonging (aant. 5).
Art. 20, lid 4, Wet VPB 1969, schrijft voor in welke volgorde verliezen worden verrekend (aant. 9).
De verliesverrekening bij een beleggingsinstelling in de zin van art. 28 Wet VPB 1969 is in art. 20, lid 3, Wet VPB 1969, op een bijzondere manier geregeld (aant. 6).
In art. 20, lid 5 en lid 6, Wet VPB 1969, is een bijzondere regeling getroffen voor belastingplichtigen waarbij natuurlijke personen betrokken zijn die op grond van hun overtuiging zeer principiële bezwaren hebben tegen verzekeren (gemoedsbezwaarden). Onder omstandigheden wordt de in art. 20, lid 2, Wet VPB 1969, opgenomen termijn voor het achterwaarts verrekenen van een verlies speciaal voor deze belastingplichtigen verlengd (aant. 11).
Vervallen regelingen
Tot en met 2018 was in art. 20, lid 4 tot en met lid 6, Wet VPB 1969, een regeling opgenomen die ertoe strekte dat verliezen die voortvloeiden uit houdster- of financieringsactiviteiten niet onbeperkt in mindering kwamen op winsten uit andersoortige werkzaamheden (aant. 7). De houdsterverliesregeling is afgeschaft bij de wet van 19 december 2018, Stb. 2018, 505 (Wet bedrijfsleven 2019). De bepaling is ingevolge art. 9.2 van deze wet niet meer van toepassing op boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2019. Daarnaast is in art. 34i Wet VPB 1969 echter een overgangsregeling opgenomen. Deze overgangsregeling houdt in dat verrekenbare verliezen van vóór 2019, die zijn aangemerkt als houdster- of financieringsverliezen, ook in boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2019 slechts verrekenbaar blijven met houdster- of financieringswinsten.
In de crisisjaren 2009 tot en met 2011 was in art. 20, lid 10 en lid 11, Wet VPB 1969, de keuzemogelijkheid opgenomen om de termijn voor achterwaartse verliescompensatie met twee extra jaren te verlengen tot drie jaren. Indien van deze keuze gebruik werd gemaakt, dan werd in ruil daarvoor de termijn voor voorwaartse verliesverrekening ingekort van negen jaar tot zes jaar. Verder gold voor de extra (winst)jaren waarmee het verlies achterwaarts verrekend kan worden een 'verliesverrekeningsplafond' van € 10 miljoen per (winst)jaar.
Tot en met 2000 waren verliezen op grond van art. 20, lid 5, Wet VPB 1969 niet meer verrekenbaar ingeval de belastingplichtige zijn onderneming geheel of nagenoeg had gestaakt en de naderhand gemaakte winsten niet meer hoofdzakelijk ten goede konden komen aan de natuurlijke personen die op het tijdstip van staking onmiddellijk of middellijk aandeelhouder waren (aant. 15 tot en met 21). Deze regeling is met ingang van 2001 bij de wet van 14 december 2000, Stb. 2000, 567, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. in verband met de tweede tranche van het ondernemerspakket 2001 (Wet ondernemerspakket 2001) vervangen door art. 20a Wet VPB 1969.
Tot en met 1994 gold voor aanloopverliezen – dat wil zeggen verliezen die werden geleden gedurende de eerste zes jaren na de stichting van de onderneming – een bijzondere regeling (aant. 25). De aanloopverliesregeling is bij wet van 23 december 1994, Stb. 1994, 937 (Wet onbeperkte voorwaartse verrekening van ondernemingsverliezen en vaststelling van verliezen bij beschikking), vervallen als gevolg van de invoering van de onbeperkte voorwaartse verliesverrekening.