Art. 6.40 van de Wet IB 2001 regelt het tijdstip waarop uitgaven ter zake van persoonsgebonden aftrekposten voor aftrek in aanmerking komen. Deze uitgaven worden in aanmerking genomen op het tijdstip waarop zij zijn betaald, zijn verrekend, ter beschikking zijn gesteld, of rentedragend zijn geworden. Artikel 6.40 is ontleend aan artikel 45b, eerste lid, aanhef, artikel 46, vijftiende lid, eerste volzin, en artikel 47, zesde lid, in samenhang met artikel 38 van de Wet IB 1964 (zie aant. 1.2.1). In beginsel komen kosten niet eerder in aanmerking dan op het tijdstip waarop de crediteur er de beschikkingsmacht over krijgt (zie aant. 1.4). De in artikel 6.40 genoemde tijdstippen zijn gelijk aan die van artikel 3.147 van de Wet IB 2001. Kennisneming van het commentaar op artikel 3.147 is dan ook voor de toepassing van artikel 6.40 van belang. Voorzieningen tegen oneigenlijk gebruik of hardheden moeten in beginsel door de wetgever worden getroffen (zie aant. 1.6). Hoewel het aangrijpingspunt voor toepassing van de hardheidsclausule aldus beperkt is, hebben zich door de jaren heen niettemin gevallen van tegemoetkomend beleid voorgedaan. Veel daarvan speelt zich af rond de jaargrens (aant. 1.13). Negatief hardheidsclausulebeleid komt in aant. 1.14 aan de orde. In aant. 1.17 wordt aangegeven waar het begrip uitgaven ter zake van persoonsgebonden aftrekposten is gedefinieerd.
In aant. 2 wordt voor de begrippen 'betaald', 'verrekend', 'ter beschikking gesteld' en 'rentedragend geworden', verwezen naar het commentaar op artikel 3.147 en komen slechts bijzondere aspecten met betrekking tot het tijdstip van aftrek van uitgaven voor persoonsgebonden aftrekposten aan de orde.
In aant. 3 wordt ingegaan op de relatie tussen het tijdstip van aftrek en de kwalificatie van de uitgaven. Sinds 1 januari 2010 is bepaald dat rentedragend geworden giften niet in aftrek komen op dat tijdstip.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 6.40 Wet IB 2001, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 03-05-2026
03-05-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/65 en V-N 2026/18.19
01-01-2001 tot: -
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 6.40 Wet IB 2001, aant. 1.1
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
tijdstip aftrek persoonsgebonden aftrek
persoonsgebonden aftrek
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.40
Beschouwing
Art. 6.40 van de Wet IB 2001 regelt het tijdstip waarop uitgaven ter zake van persoonsgebonden aftrekposten voor aftrek in aanmerking komen. Deze uitgaven worden in aanmerking genomen op het tijdstip waarop zij zijn betaald, zijn verrekend, ter beschikking zijn gesteld, of rentedragend zijn geworden. Artikel 6.40 is ontleend aan artikel 45b, eerste lid, aanhef, artikel 46, vijftiende lid, eerste volzin, en artikel 47, zesde lid, in samenhang met artikel 38 van de Wet IB 1964 (zie aant. 1.2.1). In beginsel komen kosten niet eerder in aanmerking dan op het tijdstip waarop de crediteur er de beschikkingsmacht over krijgt (zie aant. 1.4). De in artikel 6.40 genoemde tijdstippen zijn gelijk aan die van artikel 3.147 van de Wet IB 2001. Kennisneming van het commentaar op artikel 3.147 is dan ook voor de toepassing van artikel 6.40 van belang. Voorzieningen tegen oneigenlijk gebruik of hardheden moeten in beginsel door de wetgever worden getroffen (zie aant. 1.6). Hoewel het aangrijpingspunt voor toepassing van de hardheidsclausule aldus beperkt is, hebben zich door de jaren heen niettemin gevallen van tegemoetkomend beleid voorgedaan. Veel daarvan speelt zich af rond de jaargrens (aant. 1.13). Negatief hardheidsclausulebeleid komt in aant. 1.14 aan de orde. In aant. 1.17 wordt aangegeven waar het begrip uitgaven ter zake van persoonsgebonden aftrekposten is gedefinieerd.
In aant. 2 wordt voor de begrippen 'betaald', 'verrekend', 'ter beschikking gesteld' en 'rentedragend geworden', verwezen naar het commentaar op artikel 3.147 en komen slechts bijzondere aspecten met betrekking tot het tijdstip van aftrek van uitgaven voor persoonsgebonden aftrekposten aan de orde.
In aant. 3 wordt ingegaan op de relatie tussen het tijdstip van aftrek en de kwalificatie van de uitgaven. Sinds 1 januari 2010 is bepaald dat rentedragend geworden giften niet in aftrek komen op dat tijdstip.