Wie een in Nederland gelegen onroerende zaak verkrijgt, betaalt daarover meestal overdrachtsbelasting. De Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) geeft daarvoor regels. Artikel 2 omschrijft de belastbare feiten, artikel 7 voegt daar een fictief belastbaar feit aan toe, namelijk dat hetgeen bij een verdeling wordt verkregen geacht wordt voor het geheel te zijn verkregen. Artikel 8 bepaalt het tijdstip van de verkrijging en artikel 9 geeft het voorschrift over de waarde waarover belasting wordt geheven.
Artikel 12, dat in samenhang met artikel 7 gelezen moet worden, bepaalt dat bij verkrijging krachtens verdeling op de verkrijging van het geheel de waarde van het aandeel dat de verkrijger reeds bezat in mindering komt. Daardoor wordt in het algemeen geheven over hetgeen de verkrijger erbij krijgt. Onder dat aandeel wordt mede begrepen het aandeel van een rechtsvoorganger onder algemene titel. Zijn er meer rechtsopvolgers onder algemene titel en worden aan twee of meer van hen onroerende zaken toebedeeld, dan wordt het af te trekken aandeel van de rechtsvoorganger over hen omgeslagen naar rato van het aan ieder van hen toegedeelde.
Voor het begrip verdeling wordt aangesloten bij de definitie volgens artikel 3:182 van het BW.
Voor zover de verkrijger of zijn rechtsvoorganger tot een aandeel in de verdeelde zaken is gerechtigd geworden door inbreng in een vennootschap, blijft aftrek van dat aandeel achterwege indien die gerechtigdheid is ontstaan door inbreng in een vennootschap waarop de inbrengvrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, van de WBR van toepassing was. De onroerende zaken worden derhalve geacht voor het geheel te zijn verkregen.
Aant. 2 gaat in algemene zin in op het begrip verdeling en op het verband met andere bepalingen uit de WBR.
Aant. 2.1 gaat over verdelingen waarbij meerdere onroerende zaken in verdeling worden gebracht. Verschil van mening bestaat over de aftrek van het aandeel in alle zaken dan wel het aandeel in de verkregen zaak.
Aant. 2.2 belicht het verdelen van aandelen in een onroerende zaakrechtspersoon. De verkrijger moet tenminste een kwalificerend belang hebben of verkrijgen.
Aant. 2.3 betreft het omzetten van mede-eigendom in appartementsrechten.
Aant. 2.4 en 2.4.1 gaan over het aandeel van de rechtsvoorganger.
Aant. 2.5 ziet op de gevolgen van het bouwen van een opstal tussen de eerste verkrijging en de verdeling. Grond en opstal worden tezamen als één zaak beschouwd, zodat de aftrek ook het aandeel in de inmiddels gebouwde opstal omvat.
Aant. 3 legt uit wat een opvolgende verdeling is, bijvoorbeeld een nalatenschap waartoe twee onroerende zaken behoren. Eerst wordt de ene zaak in verdeling gebracht. Enkele jaren later de andere zaak.
Aant. 4 gaat in op de uitsluiting van de vermindering van de waarde ingevolge artikel 12 van de WBR bij een gerechtigdheid die is ontstaan door inbreng in een vennootschap waarop de inbrengvrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, van de WBR van toepassing was.
1. Raakvlakken met andere bepalingen
Artikel 2 van de WBR definieert het begrip verkrijgen. Het gaat daarbij om het verkrijgen van de juridische eigendom van een onroerende zaak of een zakelijk gebruiksrecht van een onroerende zaak. Artikel 3 zondert als belastbaar feit uit onder meer verdelingen van huwelijksgemeenschappen en nalatenschappen. Verdelingen van andere gemeenschappen vallen onder artikel 7, dat in samenhang met artikel 12 gelezen moet worden.
Artikel 12 komt uiteraard alleen aan de orde, wanneer een verdeling een verkrijging vormt. Dit is niet het geval, wanneer de toedeling op grond van artikel 3, onderdeel b, niet als verkrijging wordt beschouwd. Voorts blijft het artikel buiten toepassing, ingeval de verkrijging krachtens verdeling van overdrachtsbelasting is vrijgesteld. Zie bijvoorbeeld artikel 15, eerste lid, onderdeel f en g. Voor bedrijfsoverdrachten binnen de familiesfeer geldt de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de WBR. De vrijstelling van artikel 15, onderdeel g, van de WBR is nog slechts van toepassing bij verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners, voor zover de gemeenschap waarin de ene is gerechtigd voor ten minste 40 % en de andere voor ten hoogste 60%, is ontstaan door een gezamenlijke verkrijging en de toedeling geschiedt aan een van de verkrijgers.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, art. 12 WBR, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 03-04-2026
03-04-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/51 en V-N 2026/15.28..
01-01-1972 tot: -
Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, art. 12 WBR, aant. 1.1
Belastingen van rechtsverkeer / Overdrachtsbelasting
overdrachtsbelasting
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 12
Beschouwing
Wie een in Nederland gelegen onroerende zaak verkrijgt, betaalt daarover meestal overdrachtsbelasting. De Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) geeft daarvoor regels. Artikel 2 omschrijft de belastbare feiten, artikel 7 voegt daar een fictief belastbaar feit aan toe, namelijk dat hetgeen bij een verdeling wordt verkregen geacht wordt voor het geheel te zijn verkregen. Artikel 8 bepaalt het tijdstip van de verkrijging en artikel 9 geeft het voorschrift over de waarde waarover belasting wordt geheven.
Artikel 12, dat in samenhang met artikel 7 gelezen moet worden, bepaalt dat bij verkrijging krachtens verdeling op de verkrijging van het geheel de waarde van het aandeel dat de verkrijger reeds bezat in mindering komt. Daardoor wordt in het algemeen geheven over hetgeen de verkrijger erbij krijgt. Onder dat aandeel wordt mede begrepen het aandeel van een rechtsvoorganger onder algemene titel. Zijn er meer rechtsopvolgers onder algemene titel en worden aan twee of meer van hen onroerende zaken toebedeeld, dan wordt het af te trekken aandeel van de rechtsvoorganger over hen omgeslagen naar rato van het aan ieder van hen toegedeelde.
Voor het begrip verdeling wordt aangesloten bij de definitie volgens artikel 3:182 van het BW.
Voor zover de verkrijger of zijn rechtsvoorganger tot een aandeel in de verdeelde zaken is gerechtigd geworden door inbreng in een vennootschap, blijft aftrek van dat aandeel achterwege indien die gerechtigdheid is ontstaan door inbreng in een vennootschap waarop de inbrengvrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, van de WBR van toepassing was. De onroerende zaken worden derhalve geacht voor het geheel te zijn verkregen.
Wat vindt u in de Vakstudie?
Aant. 1.2 geeft de ontstaansgeschiedenis van artikel 12 van de WBR weer.
Aant. 2 gaat in algemene zin in op het begrip verdeling en op het verband met andere bepalingen uit de WBR.
Aant. 2.1 gaat over verdelingen waarbij meerdere onroerende zaken in verdeling worden gebracht. Verschil van mening bestaat over de aftrek van het aandeel in alle zaken dan wel het aandeel in de verkregen zaak.
Aant. 2.2 belicht het verdelen van aandelen in een onroerende zaakrechtspersoon. De verkrijger moet tenminste een kwalificerend belang hebben of verkrijgen.
Aant. 2.3 betreft het omzetten van mede-eigendom in appartementsrechten.
Aant. 2.4 en 2.4.1 gaan over het aandeel van de rechtsvoorganger.
Aant. 2.5 ziet op de gevolgen van het bouwen van een opstal tussen de eerste verkrijging en de verdeling. Grond en opstal worden tezamen als één zaak beschouwd, zodat de aftrek ook het aandeel in de inmiddels gebouwde opstal omvat.
Aant. 3 legt uit wat een opvolgende verdeling is, bijvoorbeeld een nalatenschap waartoe twee onroerende zaken behoren. Eerst wordt de ene zaak in verdeling gebracht. Enkele jaren later de andere zaak.
Aant. 4 gaat in op de uitsluiting van de vermindering van de waarde ingevolge artikel 12 van de WBR bij een gerechtigdheid die is ontstaan door inbreng in een vennootschap waarop de inbrengvrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, van de WBR van toepassing was.
1. Raakvlakken met andere bepalingen
Artikel 2 van de WBR definieert het begrip verkrijgen. Het gaat daarbij om het verkrijgen van de juridische eigendom van een onroerende zaak of een zakelijk gebruiksrecht van een onroerende zaak. Artikel 3 zondert als belastbaar feit uit onder meer verdelingen van huwelijksgemeenschappen en nalatenschappen. Verdelingen van andere gemeenschappen vallen onder artikel 7, dat in samenhang met artikel 12 gelezen moet worden.
Artikel 12 komt uiteraard alleen aan de orde, wanneer een verdeling een verkrijging vormt. Dit is niet het geval, wanneer de toedeling op grond van artikel 3, onderdeel b, niet als verkrijging wordt beschouwd. Voorts blijft het artikel buiten toepassing, ingeval de verkrijging krachtens verdeling van overdrachtsbelasting is vrijgesteld. Zie bijvoorbeeld artikel 15, eerste lid, onderdeel f en g. Voor bedrijfsoverdrachten binnen de familiesfeer geldt de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de WBR. De vrijstelling van artikel 15, onderdeel g, van de WBR is nog slechts van toepassing bij verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners, voor zover de gemeenschap waarin de ene is gerechtigd voor ten minste 40 % en de andere voor ten hoogste 60%, is ontstaan door een gezamenlijke verkrijging en de toedeling geschiedt aan een van de verkrijgers.