FED 1996/578:Een commanditaire vennoot ontleent zijn eventueel ondernemerschap in de zin van art. 6, eerste lid, Wet aan het medegerechtigd zijn tot het vermogen van de onderneming. Beslissend is daarbij niet dat de medegerechtigdheid bestaat tot elk onderdeel van het vermogen. Voldoende is dat een gerechtigdheid bestaat in het overschot dat bij het einde der vennootschap mocht blijken aanwezig te zijn boven de kapitalen, waarvoor de vennoten hebben deelgenomen. Dat belanghebbende, die als enige is gerechtigd tot de stille reserves van het bedrijfsvermogen, niet is gerechtigd tot de goodwill, is dan ook geen beletsel hem als ondernemer aan te merken. De omstandigheid dat de overeengekomen winstverdeling en de arbeidsbeloning van belanghebbendes echtgenote tussen van elkaar onafhankelijke partijen niet aldus zouden zijn overgekomen, kan ertoe leiden dat te dier zake ter berekening van de fiscale winst een correctie dient te worden toegepast op de overeengekomen winstverdeling, doch kan zonder nadere motivering niet de daaraan door het hof verbonden gevolgtrekking rechtvaardigen.