FED 1995/9
Stichting, een toegelaten instelling in de zin van art. 59, eerste lid van de Woningwet (tekst 1990), verkreeg het recht van erfpacht van een terrein met opstallen, bestaande uit zes bovenwoningen en twee op de begane grond gelegen bedrijfsruimten. De functie van deze bedrijfsruimten stond los van die van de woningen. In geschil was of deze bedrijfsruimten waren aan te merken als bijbehorende gebouwen in de zin van art. 60, tweede lid, onder c van de Woningwet (tekst 1990) en mitsdien in de vrijstelling van overdrachtbelasting konden delen. Het hof oordeelde dat dit niet het geval was omdat de bedrijfsruimten niet functioneel dienstbaar waren aan de woningen. De HR oordeelt dat de onderhavige vrijstelling de voortzetting is van de vrijstelling van art. 101, letter b van de Registratiewet 1917, waarin sprake was van overdracht in het belang van de volkshuisvesting, en dat dit belang derhalve ook nu nog centraal dient te staan. Uit de geschiedenis van de Woningwet 1901 blijkt dat de uitdrukking volkshuisvesting in haar ruimste betekenis behoort te worden opgevat, terwijl uit de totstandkoming van de Woningwet 1962 niet blijkt dat van een beperktere betekenis moet worden uitgegaan. De HR verwijst teneinde de stelling te onderzoeken of aan de bedrijfsruimten in het geheel van de verkrijging slechts een ondergeschikte betekenis toekomt, daar bij een bevestigend antwoord de vrijstelling ook geldt voor de bedrijfsruimten.
HR 16-11-1994, ECLI:NL:HR:1994:AA3013
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16 november 1994
- Magistraten
Stoffer; Wildeboer; Urlings; Zuurmond; Herrmann
- Zaaknummer
30079
- LJN
AA3013
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Belastingen van rechtsverkeer / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1994:AA3013, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑11‑1994
- Wetingang
Art. 15, eerste lid, letter o, Wet BRV (tekst 1990).
Essentie
Stichting, een toegelaten instelling in de zin van art. 59, eerste lid van de Woningwet (tekst 1990), verkreeg het recht van erfpacht van een terrein met opstallen, bestaande uit zes bovenwoningen en twee op de begane grond gelegen bedrijfsruimten. De functie van deze bedrijfsruimten stond los van die van de woningen. In geschil was of deze bedrijfsruimten waren aan te merken als bijbehorende gebouwen in de zin van art. 60, tweede lid, onder c van de Woningwet (tekst 1990) en mitsdien in de vrijstelling van overdrachtbelasting konden delen. Het hof oordeelde dat dit niet het geval was omdat de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.