FED 1995/440
(Betere) geschiktheid voor bebouwing beoordeeld naar omstandigheden op het tijdstip waarop in verband met art. 274, tweede lid, gemeentewet uiterlijk had moeten worden besloten tot heffing. Ambtshalve: bewijslastverdeling Hof onjuist 'in dit bijzondere geval' waarin bebouwing neerkomt op grotendeels prijsgeven van een in de dorpskern gelegen achtertuin van 37 m diep. Gemeente bewijslast dat bebouwing objectief bezien 'voor de hand liggend is'.
HR 01-03-1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3088, m.nt. Y. Postema-van der Koogh
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
1 maart 1995
- Magistraten
Stoffer; Wildeboer; Urlings; Zuurmond; Fleers
- Zaaknummer
29 384
- Noot
Y. Postema-van der Koogh
- LJN
AA3088
- JCDI
JCDI:ADS227430:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Belastingen van lagere overheden (V)
Milieubelastingen (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1995:AA3088, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑03‑1995
- Wetingang
art. 274 Gemw (oud)
Essentie
(Betere) geschiktheid voor bebouwing beoordeeld naar omstandigheden op het tijdstip waarop in verband met art. 274, tweede lid, gemeentewet uiterlijk had moeten worden besloten tot heffing. Ambtshalve: bewijslastverdeling Hof onjuist 'in dit bijzondere geval' waarin bebouwing neerkomt op grotendeels prijsgeven van een in de dorpskern gelegen achtertuin van 37 m diep. Gemeente bewijslast dat bebouwing objectief bezien 'voor de hand liggend is'.
Uitspraak
Het geschil betrof de bouwgrondbelasting
Vaststaat:
1.1. In het kader van het bouwrijp maken van gronden in het plan a-straat-b-straat in de gemeente Z is de gemeente onder meer overgegaan tot het uitvoeren van een ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.