HR, 11-05-1983, nr. 21 739
ECLI:NL:HR:1983:AW8880
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-05-1983
- Zaaknummer
21 739
- LJN
AW8880
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1983:AW8880, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑05‑1983; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1983:AW8880
ECLI:NL:PHR:1983:AW8880, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 28‑01‑1983
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1983:AW8880
- Vindplaatsen
BNB 1983/259 met annotatie van G. Slot
FED 1985/8 met annotatie van R. Batema
V-N 1983/1127, 18 met annotatie van Redactie
BNB 1983/259 met annotatie van G. Slot
V-N 1983/1127, 18
Uitspraak 11‑05‑1983
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting; sloop gebouw in verband met stichting van een nieuw gebouw; kostprijs nieuwe gebouw.
11 mei 1983.
Nr. 21.739
JvdV.
Hoge Raad der Nederlanden,
Gezien het beroepschrift in cassatie van de Minister van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 juni 1982 betreffende de aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. [X] te [Z] opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1977;
Gezien de conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest van 28 januari 1983 strekkende tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing;
Gezien de stukken;
Overwegende dat belanghebbende, aan wie voor het jaar 1977 een aanslag in de vennootschapsbelasting is opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 515.436,--, na vergeefs bezwaar bij de Inspecteur van diens uitspraak in beroep is gekomen bij het Hof;
Overwegende dat het Hof als vaststaand heeft aangemerkt:
‘’Het opslagterrein van belanghebbende voor haar bouwmaterialenhandel ligt in de gemeente [Z] langs de rivier [A]. Belanghebbende heeft aan de dijk langs [A], over welke dijk een openbare weg loopt, een laad- en loswal voor de overslag van zand, grond en grint. Op het bedrijfsterrein zijn parallel aan de dijk rails aangebracht voor een verrijdbare transporteur, die tezamen met een overslagkraan dienst doet bij de overslag van de goederen aan de loswal. Ter hoogte van de loswal en overigens aan drie zijden omsloten door belanghebbendes bedrijfsterrein lagen destijds aan de weg op de dijk twee aaneengebouwde woonhuizen, de nummers [a-straat 1] en [a-straat 2], elk op een perceel grond van 2,05 are. Door de aanwezigheid van deze twee woonhuizen stonden de rails van de transporteur gelegen op het bedrijfsterrein ter weerszijde van de beide huizen en evenwijdig aan de loswal niet rechtstreeks met elkaar in verbinding en was de transporteur niet langs de hele loswal verrijdbaar. In juni 1976 kocht belanghebbende het pand [a-straat 1] voor f 85.575,-- en nam het in gebruik als kantoor voor een dochtermaatschappij. In augustus 1977 kocht belanghebbende het pand [a-straat 2] leeg opgeleverd voor f 138.105,--.
Van de gemeente [Z] werd een vergunning verkregen voor de sloop van beide woonhuizen. De huizen werden afgebroken en op het vrijkomende terrein werden later de rails van de transporteur doorgetrokken, waarna de transporteur langs de gehele loswal verrijdbaar was. Ter zake van de aankoop en sloop van de panden verrichtte belanghebbende de volgende boekingen:
Aankoop woonhuis [a-straat 1] | f 85.575,-- |
af: afschrijving 1976 | ‘’ 1.284,-- |
f 84.291,-- | |
Aankoop woonhuis [a-straat 2] | ‘’ 138.105,-- |
f 222.396,-- | |
af: grondwaarde 410 m² a f 45,-- | ‘’ 18.450,-- |
Nadere afschrijving 1977 | f 203.946,--. |
Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur de nadere afschrijving niet aanvaard;'';
Overwegende dat het Hof het geschil als volgt heeft omschreven:
‘’dat tussen partijen uiteindelijk in geschil is, primair of wegens de sloop van de aangekochte panden een nadere afschrijving van f 203.946,-- mag worden toegepast, subsidiair of belanghebbende het bedrag van de nadere afschrijving mag aanmerken als investering in de loswal en/of de rails met transporteur en overslagkraan waardoor investeringsaftrek kan worden genoten (voor 1977: 8% van f 203.946,--) en kan worden afgeschreven (voor 1977: over 4 maanden f 6.798,--) en meer subsidiair of het bedrag van de nadere afschrijving mag worden aangemerkt als een afzonderlijk activum waarop mag worden afgeschreven als hiervoor;'';
Overwegende dat het Hof de standpunten van partijen als volgt heeft weergegeven:
‘’dat belanghebbende tot steun van het beroep heeft aangevoerd;
Primair:
De panden hadden een zelfstandige waarde voor belanghebbende. Het eerst aangekochte pand is als kantoor in gebruik geweest. Aanvankelijk was niet te voorzien dat het tweede pand ook kon worden aangekocht. Er is in die periode nog onderzocht of het gebruik van de transporteur zou zijn te verbeteren door verlaging van de daken van de beide woonhuizen. Het toerekenen van de waarde van de gesloopte panden aan de grond, zoals de inspecteur heeft gedaan, is in strijd met goed koopmansgebruik. Ten gevolge van de sloop verkrijgt de aangekochte grond geen hogere waarde dan het naastliggende bedrijfsterrein heeft. Dit vindt bevestiging in het feit, dat belanghebbende in 1978 een stuk grond van haar bedrijfsterrein ter grootte van 890 m² aan de gemeente heeft overgedragen voor f 42,50 per m². Dit was de algemeen geldende waarde van haar bedrijfsterrein. Uit het standpunt van de inspecteur vloeit voort dat de verworven 410 m² grond een waarde zou hebben van f 540,-- per m². Dit is niet juist.
Goed koopmansgebruik eist dat het verdwijnen van een bedrijfsmiddel leidt tot afboeking van de bedrijfsrekening. Als gevolg van de sloop van de woningen zijn de nog niet verbruikte nutsprestaties van de panden ineens teloorgegaan. Dit verlies dient tot uitdrukking te worden gebracht. Zulks achterwege te laten komt in strijd met de 4e Richtlijn van de E.G. inzake de jaarrekening;
Subsidiair:
De sloop van de panden heeft uitsluitend plaatsgevonden ten behoeve van de kraanbaan met transporteur. Met het doortrekken van de rails over de vrijgekomen grond kan een doorlopend gebruik van de transporteur worden gemaakt. De waarde van de verdwenen opstallen vormt een investering in de losinstallatie, met welke investering het gebruik van de installatie is vernieuwd en verbeterd. Op deze investering in dit bedrijfsmiddel kan als gebruikelijk 10% per jaar worden afgeschreven, hetgeen voor 4 maanden in 1977 neerkomt op f 6.798,--. Voorts dient ter zake van deze investering voor 1977 8% van f 203.946,-- is f 16.316,-- investeringsaftrek te worden verleend;
Meer subsidiair:
Door de sloop van de panden is een afzonderlijk immaterieel activum ontstaan, van hetwelk 10% per jaar kan worden afgeschreven. Voor 1977 komt dit gedurende september tot en met december uit op f 6.798,--;
dat de inspecteur daartegen heeft betoogd:
Primair:
Belanghebbende had gelet op de uitbreidingsmogelijkheden uitsluitend belangstelling voor de grond.
De onmogelijkheid een verbinding te leggen tussen de reeds in haar bezit zijnde percelen noodzaakte haar de onroerende goederen [a-straat 1] en [a-straat 2] aan te kopen.
De van meet af aan beoogde en voorziene afbraak van de opstallen brengt niet met zich mede dat een afwaardering toegepast kan worden.
Het feit dat zij verplicht was naast de grond tevens de opstallen te kopen, impliceert niet dat deze opstallen voor haar ook van enige waarde waren.
Dat zij hiervoor een hoge(re) prijs moest en wilde betalen is evident. De strategische ligging rechtvaardigde een hoge prijs. Het gaat om de subjectieve waarde van de grond voor de vennootschap.
De door belanghebbende genoemde latere verkoop van een strook grond aan de gemeente [Z] voor f 42,50 per m² is hier ook zeker niet mee in strijd.
Subsidiair en meer subsidiair:
Aangezien er grond en opstallen zijn aangekocht, en geen loswal of overslaginstallatie, waarbij uitsluitend de grond een functie vervult, is er geen ruimte voor een afzonderlijke activering van een deel van de kostprijs van de onroerende goederen als loswal met overslaginstallatie.
Er is geen sprake van een loswal met overslaginstallatie, aangezien slechts de op of aan de grond aangebrachte voorzieningen het voor afschrijving vatbare activum loswal en/of overslaginstallatie kunnen vormen. Mocht er enige waarde aan de woonhuizen kunnen worden toegekend, dan treedt er bij sloop een permanente waardestijging van de grond op voor belanghebbende. Van een immaterieel activum is evenmin sprake. Aangezien de sloopkosten niet zijn geactiveerd, is de aanslag in feite eerder te laag dan te hoog;'';
Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen:
‘’dat als enerzijds gesteld en als anderzijds niet weersproken vaststaat, dat belanghebbende de beide door haar aangekochte woonhuizen aan de a-dijk heeft gesloopt ten einde de oorspronkelijk onderbroken rails van de transporteur over de volle breedte van het opslagterrein met elkaar te verbinden tot één lange kraanbaan en dat daarmee werd beoogd het gebruik van de overslaginstallatie en de loswal te verbeteren en te verruimen;
dat gelet hierop het primaire standpunt van belanghebbende, dat de waarde van de gesloopte opstallen als verlies moet worden aangemerkt, als zijnde in strijd met goed koopmansgebruik moet worden verworpen;
dat voorts vaststaat, dat belanghebbende het eerst aangekochte pand [a-straat 1] tot het moment van de sloop in gebruik heeft gehad als kantoor; dat aannemelijk is dat belanghebbende, naar zij onweersproken, althans onvoldoende weersproken heeft aangevoerd, aanvankelijk niet heeft geweten dat het pand [a-straat 2] op korte termijn eveneens door aankoop of anderszins zou kunnen worden verkregen; dat er dan ook, anders dan klaarblijkelijk de inspecteur heeft gedaan, niet van kan worden uitgegaan, dat belanghebbende van meet af aan heeft voorzien en beoogd dat de beide panden zouden worden gesloopt; dat voorts is gesteld noch gebleken dat de beide panden ten tijde van de aankoop als woonhuis onbruikbaar waren en objectief bezien geen waarde hadden;
dat op grond van een en ander de stelling van de inspecteur, dat de waarde van de opstallen geheel moet worden toegerekend aan de aangekochte grond, niet kan worden aanvaard;
dat uit al het vorenoverwogene tevens voortvloeit, dat de sloop van de opstallen en mitsdien de waarde van de gesloopte opstallen uitsluitend dienstbaar is geweest aan de verbetering van de overslaginstallatie, zodat die waarde is te beschouwen als voortbrengingskosten te dier zake;
dat derhalve sprake is van een investering in een bedrijfsmiddel;
dat, nu de inspecteur zijn opmerking over het niet activeren van de sloopkosten niet nader heeft uitgewerkt noch cijfermatig heeft toegelicht, het Hof daaraan voorbij moet gaan;
dat het subsidiaire standpunt van belanghebbende behoort te worden gevolgd;'';
Overwegende dat het Hof op die gronden de uitspraak van de Inspecteur heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een naar een belastbaar bedrag van f 492.322,--;
Overwegende dat de Minister 's Hofs uitspraak bestrijdt met het volgende middel van cassatie toegelicht gelijk daarna vermeld:
‘’Schending van het Nederlandse recht, met name van artikel 10, eerste lid, en artikel 11, derde lid, aanhef en letter a, (zoals deze bepaling voor het onderhavige jaar luidde) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in verbinding met artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken doordat het Hof ten onrechte en/of op gronden welke de beslissing niet kunnen dragen, heeft verworpen de stelling van de inspecteur dat de waarde van de opstallen geheel moet worden toegerekend aan de aangekochte grond.
Ter toelichting van het middel moge het volgende dienen.
De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende van meet af aan heeft voorzien en beoogd dat de beide panden zouden worden gesloopt. Deze stelling is door het Hof onjuist bevonden. Daaromtrent overweegt het Hof dat vaststaat dat belanghebbende het eerst aangekochte pand [a-straat 1] tot het moment van de sloop in gebruik heeft gehad als kantoor en dat aannemelijk is dat belanghebbende aanvankelijk niet heeft geweten dat het pand [a-straat 2] op korte termijn eveneens door aankoop of anderszins zou kunnen worden verkregen. De Minister eerbiedigt dit feitelijke oordeel van het Hof, met dien verstande dat dit oordeel geen betrekking kan hebben op de gang van zaken rond het pand [a-straat 2]. Aangezien dit pand in augustus 1977 door belanghebbende is gekocht en reeds voor het einde van het jaar 1977 is gesloopt, terwijl, anders dan met betrekking tot het pand [a-straat 1] het geval is, gesteld noch gebleken is dat belanghebbende de opstal als zodanig voor haar ondernemingsuitoefening van node had, meent de Minister dat er thans van moet worden uitgegaan dat belanghebbende het pand [a-straat 2] heeft gekocht met het oogmerk de opstal te slopen. Hieruit vloeit naar de mening van de Minister al voort dat de koopsom van het pand voor de winstberekening van belanghebbende aan de (onder)grond moet worden toegerekend. Dat het pand, zoals het Hof heeft vastgesteld, als woonhuis bruikbaar was en als zodanig waarde had, doet hier niet aan af. Belanghebbende beoogde slechts de grond te verkrijgen en heeft daarvoor een hoge, doch zakelijk verantwoorde prijs moeten betalen. Deze subjectieve waardering is hier beslissend. In deze zin ook de bewerker van artikel 10 van de Vakstudie Inkomstenbelasting (opmerking in aantekening 63 op dat artikel bij Vakstudie Nieuws 1979, bladzijde 1000).
Hoewel gezien het hiervoor genoemde feitelijke oordeel van het Hof thans moet worden aangenomen dat belanghebbende het pand [a-straat 1] niet heeft gekocht met het oogmerk de opstal te slopen, is de Minister van mening dat ook de boekwaarde van deze opstal bij de sloop aan de grondwaarde moet worden toegevoegd. Door de sloop heeft belanghebbende immers een zakelijk verantwoord offer ter grootte van de boekwaarde van de opstal gebracht om de voor haar waardevolle ondergrond vrij te maken. Aldus wordt ook bereikt dat de sloop van de beide panden op dezelfde wijze in de winstberekening wordt verwerkt.'';
Overwegende aangaande het middel:
dat het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende de beide door haar aangekochte woonhuizen aan de Veerdijk heeft gesloopt ten einde de oorspronkelijk onderbroken rails van de transporteur over de volle breedte van het opslagterrein met elkaar te verbinden tot één lange kraanbaan en dat daarmee werd beoogd het gebruik van de overslaginstallatie en de loswal te verbeteren en te verruimen;
dat in deze vaststelling ligt besloten dat belanghebbende met de sloop van de bedoelde woonhuizen primair heeft beoogd de ondergrond van die woonhuizen voor de uitoefening van haar bedrijf vrij te maken;
dat dit met zich brengt dat belanghebbende de boekwaarde van de opstallen - naar uit hetgeen het Hof als vaststaand heeft aangemerkt valt af te leiden ten tijde van de sloop f 203.946,-- - heeft opgeofferd om die grond vrij te maken, zodat die boekwaarde geheel aan de aangekochte grond moet worden toegerekend;
dat het middel derhalve gegrond is, zodat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven;
Overwegende dat de Hoge Raad de hoofdzaak kan beslissen;
Vernietigt de uitspraak van het Hof;
Bevestigt de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaarschrift.
Gedaan bij de Heren Vroom, Vice-President, Stol, Jansen, Van der Linde en Roelvink, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de elfde mei 1900 drie en tachtig, in tegenwoordigheid van de waarnemend-griffier Van den Dries.
Conclusie 28‑01‑1983
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting; sloop gebouw in verband met stichting van een nieuw gebouw; kostprijs nieuwe gebouw.
eb
Nr. 21 739
Derde Kamer A
28 januari 1983
Mr. van Soest
Conclusie inzake:
De Minister van Financiën
tegen
BV [X]
Edelhoogachtbare Heren,
a. De feiten.
De belanghebbende heeft een opslagterrein op buitendijkse grond langs de rivier [A]. Op het terrein zijn evenwijdig aan de dijk rails aangebracht voor een verrijdbare transporteur die tezamen met een overslagkraan dienst doet bij de overslag van goederen. Tot juni 1976 vormde een tweetal woonhuizen, plaatselijk bekend [a-straat 1] en [a-straat 2], gelegen aan de rivierzijde van de dijk, een soort enclave in het bezit van de belanghebbende. Dientengevolge sloten de twee stukken rails niet op elkaar aan.
In juni 1976 verwierf de belanghebbende het woonhuis [a-straat 1], leeg opgeleverd, voor f 85.575,-. Dit gebouw werd in gebruik genomen als kantoor voor een dochtermaatschappij van de belanghebbende.
In augustus 1977 verwierf de belanghebbende het woonhuis [a-straat 2], leeg opgeleverd, voor f 138.105,-. Vervolgens werden de beide huizen gesloopt en werden de rails doorgetrokken.
b. Het geschil.
In geschil is in dit stadium nog, of en, zo ja, in hoeverre de belanghebbende voor de heffing van de vennootschapsbelasting 1977 terzake van de omschreven feiten aanspraak heeft op afschrijving en investeringsaftrek.
c. De bestreden uitspraak.
Het Hof heeft beslist (‘’omtrent het geschil'', 5e al., blz. 4),
‘’dat ... de waarde van de gesloopte opstallen uitsluitend dienstbaar is geweest aan de verbetering van de overslaginstallatie, zodat die waarde is te beschouwen als voortbrengingskosten te dier zake''.
d. Het aanbrengen van rails.
Indien een ondernemer eigenaar is van een onbebouwd terrein dat hij in het kader van zijn onderneming gebruikt, en hij daarop voor ondernemingsdoeleinden rails aanlegt, dient hij de kosten daarvan - aangenomen dat de rails een reeks van jaren zullen meegaan - als debetpost op te voeren (‘’activeren'') hetzij afzonderlijk, hetzij als verhoging van de boekwaarde van het terrein. Aangenomen dat de rails na verloop van tijd (economisch) versleten zullen zijn, zal daarop afgeschreven kunnen worden (verg. voor de aanleg van een weg Hof 's-Gravenhage 1 april 1965, BNB 1965/288).
Aanspraak op investeringsaftrek bestaat, indien de investering niet valt onder de uitzondering voor (art. 11, lid 3, letter a, Wet op de inkomstenbelasting (I.B. '64), oorspronkelijke tekst)
‘’gronden''.
Bij de totstandkoming van de investeringsaftrek werd aangaande de uitzondering voor (art. 8a, lid 3, Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, tekst 1953)
‘’ongebouwde eigendommen''
gezegd (par. 5, lid 2, 5e volzin, Leidraad bij de toepassing van de investeringsaftrek, res. 25 mei 1954, nr. 211, Belastingberichten, oude reeks, I.724, Vakstudie-Nieuws (V-N) 1 juni 1954, punt 2):
‘’Tot de ongebouwde eigendommen kunnen niet worden gerekend buizen-, kabel- en andere geleidingsnetten, alsmede de verdere in de eerste twee zinnen van par. 17, lid 9, van de Leidraad Belastingherziening 1950 genoemde bedrijfsmiddelen.''
Par. 17 Leidraad Belastingherziening 1950, res. 3 juli 1951, nr. 190, Belastingberichten t.a.p., nr. 373, had betrekking op de herwaardering van bedrijfsmiddelen, die voor ongebouwde eigendommen was uitgesloten en voor gebouwde eigendommen sterk beperkt. Lid 9, 1e en 2e volzin, luidde:
‘’Machines en installaties, die aard- of nagelvast zijn, of die door bestemming onroerend zijn, volgen niet het gebouw, maar vallen onder de algemene regeling voor de roerende bedrijfsmiddelen. Die regeling geldt ook voor buizen-, kabel- en andere geleidingsnetten, railnetten, hoogovens, open smeltbakken en in het algemeen al die onroerende bedrijfsmiddelen die niet behoren tot de ‘’gebouwde eigendommen''.''
Ter vergelijking noem ik enige rechterlijke beslissingen, waarin de aanleg van wegen en dergelijke werd aangemerkt als verbetering van ongebouwde eigendommen: HR 5 december 1956, BNB 1957/34 (plaveisel); 27 april 1960, BNB 1960/169 met noot J.E.A.M. van Dijck (wegen); Hof Leeuwarden 10 februari 1964, BNB 1965/61 (betonlaag en korte betonnen wegjes); 's-Gravenhage 1 april 1965, BNB 1965/288 (weg). Maar Hof Leeuwarden 15 oktober 1962, BNB 1963/167, merkte een helling, samengesteld uit betonnen balken, terwijl de grond is betegeld, samen met een kraanbaan aan als één opstal, niet te beschouwen als ongebouwde eigendommen. En Hof 's-Gravenhage 14 mei 1965, BNB 1965/292, merkte een bestrating niet aan als verbetering van ongebouwde eigendommen, op grond dat zij uitsluitend dienstbaar was aan gebouwen (blijkens noot 1 in BNB zag de Staatssecretaris af van beroep in cassatie op grond dat hij de beslissing zag als van feitelijke aard). Volledigheidshalve noem ik nog HR 20 maart 1957, BNB 1957/151, over een zogenaamd platform, waarvan de betekenis mij niet duidelijk is.
Naar ik meen, brengt een en ander voor het hier aan de orde gestelde voorbeeld mede, dat de rails niet als (verbetering van) gronden uitgezonderd zijn van de investeringsaftrek. Rails die bestemd zijn voor de verplaatsing van meer dan een rijtuig, zullen, voor de toepassing van de investeringsaftrek als een afzonderlijk bedrijfsmiddel behandeld moeten worden. Zijn de rails dienstbaar aan één bepaald rijtuig, dan laat zich nog wel de mogelijkheid denken, dat zij samen daarmede als een geheel behandeld zouden moeten worden.
e. De verwerving van een terrein, voorzien van rails.
Bij de voorbereiding van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 werd met betrekking tot de verwerving van gebouwen opgemerkt (Memorie van antwoord, Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1962-1963 - 5380, nr. 19, blz. 36, linkerkolom, 2e al.),
‘’dat de afsplitsing van de ondergrond niet uitsluitend voor de investeringsaftrek noodzakelijk is, aangezien ook voor de normale afschrijving rekening moet worden gehouden met de (residu-)waarde van de ondergrond''.
Zo zullen ook bij de verwerving van een terrein, voorzien van rails, de aanschaffingskosten gesplitst moeten worden in een rails-bestanddeel en een grondbestanddeel, zulks met het oog op de afschrijving (aangenomen dat de rails aan (economische) slijtage onderhevig zijn, kan op dat bestanddeel worden afgeschreven) en met het oog op de investeringsaftrek (de uitzondering voor gronden geldt niet voor de rails).
De omstandigheid dat de ondernemer het terrein met rails alleen en uitsluitend heeft verworven ten dienste van de verplaatsing van rijtuigen over de rails, kan er niet toe leiden de aanschaffingskosten ten volle aan de rails en in het geheel niet aan de grond toe te rekenen. De grond heeft, als vestigingsplaats en draagvlak van de rails, minst genomen een even gewichtige functie als de rails. Bovendien zal de grond nog waarde hebben nadat de rails (economisch) versleten en al dan niet vervangen zullen zijn.
f. De verwerving van een kaal terrein met het doel daarop rails aan te leggen.
In dit geval zullen, bijzondere omstandigheden voorbehouden, de aanschaffingskosten van het onroerende goed ten volle aan de grond en de aanschaffings- en/of voortbrengingskosten van de rails ten volle aan de rails toegerekend moeten worden.
g. De verwerving van een gebouw voor sloop ten dienste van de aanleg van rails op de vrijkomende grond.
De aanschaffingskosten van het onroerende goed, de sloopkosten en de kosten van aanleg van de rails moeten tezamen, na aftrek van de eventuele opbrengst, verkregen door vervreemding van het bij de sloop vrijgekomen materiaal, behandeld worden op dezelfde wijze als de kosten, gemaakt voor de hiervóór onder e beschreven verwerving (vaste jurisprudentie; zie in het bijzonder HR 12 oktober 1932, B 5298; 12 februari 1941, B 7305; 6 maart 1957, BNB 1957/124; Fiscale encyclopedie de Vakstudie, deel 2, art. 10 I.B. '64, aant. 63).
Deze stellingname impliceert, dat in deze situatie, waarin het gebouw reeds bij de verwerving bestemd is voor sloop, de afschrijving en de investeringsaftrek worden beheerst door de uiteindelijke bestemming voor grond met rails, en niet door de aard van het gebouw.
De Vakstudie t.a.p., blz. 57, verdedigt in deze situatie, dat de aanschaffingskosten van het onroerende goed in hun geheel toegerekend moeten worden aan de grond:
‘’De koper was niet geïnteresseerd in de opstallen, doch alleen in de grond. Hetgeen hij heeft opgeofferd als koopsom voor grond plus opstallen is voor hem in wezen de waarde van die grond als bouwgrond. Hij zou immers hetzelfde bedrag (even afgezien van sloopkosten en opbrengst van het gesloopte) hebben betaald, ingeval de verkoper vóór de verkoop nog voor de afbraak van de opstallen had gezorgd.''
(zie ook J.J.H. Jacobs, Het bedrijfsmiddel, 1974, blz. 281; anders Th.S. IJsselmuiden, De fiscale balans, blz. 40, die het redelijk acht de kosten van afbraak toe te rekenen aan de nieuwe opstallen).
Mij lijkt de uiteenzetting van de Vakstudie overtuigend. Ik meen derhalve, dat in deze situatie slechts de eigenlijke kosten van aanleg van de rails in aanmerking komen voor investeringsaftrek en afschrijving.
De belanghebbende beroept zich ter bestrijding van het standpunt, dat in deze situatie (vertoogschrift in cassatie, blz. 2)
‘’de koopsom van het pand aan de grond dient te worden toegerekend'',
op de vaste jurisprudentie voor de landbouwvrijstelling. Naar het mij voorkomt, gaat het hier echter niet om vergelijkbare rechtsvragen. Bij de landbouwvrijstelling gaat het om (art. 8, letter b, I.B.'64)
‘’waardeveranderingen van gronden'',
welke grootheid naar vaste jurisprudentie objectief beoordeeld moet worden (zie Van Soest Belastingen, 14e druk, 1981, blz. 51; H.J. Hofstra, Inkomstenbelasting, 2e druk, 1981, blz. 101). Bij de kwestie die thans aan de orde is, moet beoordeeld worden, met welk oogmerk - derhalve subjectief - de ondernemer de uitgaven heeft gedaan. Daarbij is het zeer wel mogelijk -en komt het blijkens de jurisprudentie en de literatuur niet zelden voor -, dat de ondernemer voor zijn doel meer over heeft dan het desbetreffende goed voor derden waard zou zijn. Een variant hiervan is nu, dat een ondernemer voor de grond zo veel over heeft dat hij het vooralsnog daarop staande gebouw - dat voor hem uitsluitend in de weg staat - op de koop toe neemt. In dat geval vormt de prijs van het gebouw - die hij moet betalen, omdat het gebouw voor derden wel waarde zou hebben - een offer dat hij brengt ter verwerving van de grond omdat hij die grond voor zijn ondernemingsdoeleinden nodig heeft.
h. Sloop van een ondernemingsgebouw ten dienste van de aanleg van rails op de vrijkomende grond.
In mijn conclusie in de bij Uw Raad aanhangige zaak nr. 21.462, onder d en e, verdedigde ik,
‘’dat het slopen van een voor ondernemingsdoeleinden aangekocht gebouw ingeval het uit overwegingen van ondernemingsbeleid beter geoordeeld wordt het plaats te laten maken voor een nieuw gebouw, mij .... een vorm van gebruik lijkt te zijn ..., dat, toen de belanghebbende opdracht gaf tot de afbraak van het gebouw en de bouw van een nieuw gebouw, hij verplichtingen aanging niet tot de aanschaffing van een bedrijfsmiddel, maar tot de verandering ervan, zijnde voor zijn onderneming een verbetering''.
Dienovereenkomstig zou ik de afbraak van een bestaand ondernemingsgebouw, ongeacht hoe lang en waartoe het in de onderneming gebruikt is, ten dienste van de aanleg van rails op de vrijkomende grond willen behandelen. Aldus wordt de boekwaarde van het terrein, voorzien van rails, gesteld op de boekwaarde van het gebouw vóór de afbraak, vermeerderd met de sloopkosten en de kosten van aanleg van de rails en verminderd met de eventuele opbrengst, verkregen door vervreemding van het bij de sloop vrijgekomen materiaal.
Voor de toepassing van de investeringsaftrek brengt deze zienswijze mede, dat slechts de sloop en de aanleg van de rails als een nieuwe investering aangemerkt kunnen worden en dat de eventuele vervreemding van het vrijgekomen materiaal als een desinvestering moet worden beschouwd.
D. Brüll, FED, I.B.: Art. 8 (1950) : 36, suggereert voor deze situatie toerekening van de kosten van de afbraak aan de grond (anders IJsselmuiden t.a.p.; verg. Jacobs t.a.p.). De rekwirant van cassatie (de Minister) is (beroepschrift in cassatie, blz. 2)
‘’van mening dat ... de boekwaarde van (de) opstal bij de sloop aan de grondwaarde moet worden toegevoegd. Door de sloop heeft belanghebbende immers een zakelijk verantwoord offer ter grootte van de boekwaarde van de opstal gebracht om de voor haar waardevolle ondergrond vrij te maken.''
Naar het mij voorkomt, is dit niet in zijn algemeenheid te zeggen. De boekwaarde van het ondernemingspand is de resultante van de aanschaffingskosten die de ondernemer zich indertijd met het oog op zijn toenmalige doeleinden heeft getroost, en de afschrijving. Die boekwaarde zal, naar mate de ondernemer zijn bestemming voor het gebouw wijzigt, kunnen gaan afwijken van de gebruikswaarde (bedrijfswaarde) van het gebouw (zie Jacobs, a.w., blz. 280, die voor deze situatie dan ook extra afschrijving bepleit, maar tevens aangeeft, dat deze niet in de jurisprudentie van Uw Raad past). Op het ogenblik waarop tot sloop besloten wordt, bestaat er derhalve geen identiteit tussen de boekwaarde en het offer. Ik meen dan ook, dat van geval tot geval beoordeeld moet worden, op welke wijze de nieuwe boekwaarde van het terrein, voorzien van rails, gesplitst moet worden.
i. Het oogmerk van de belanghebbende bij de verwerving van [a-straat 2].
Tussen de partijen was in discussie, in hoeverre bij de verwerving van de beide panden het oogmerk tot afbraak bestond. Het Hof heeft overwogen (3e al., ibid.),
‘’dat belanghebbende ... aanvankelijk niet heeft geweten dat het pand [a-straat 2] op korte termijn eveneens ... zou kunnen worden verkregen; dat er dan ook ... niet van kan worden uitgegaan, dat belanghebbende van meet af aan heeft voorzien en beoogd dat de beide panden zouden worden gesloopt''.
Terecht voert de Minister t.a.p. aan, dat deze overweging de mogelijkheid open laat, dat bij de verwerving van [a-straat 2] wel onmiddellijk het oogmerk tot afbraak heeft bestaan, in welk geval op die verwerving het hiervoor onder g uiteengezette van toepassing is.
j. Conclusie.
Het middel ten dele gegrond bevindende, concludeer ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,