Artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is het basisartikel uit hoofdstuk III AWR (‘Heffing van belasting bij wege van aanslag’). Het geeft de inspecteur de bevoegdheid om een aanslag vast te stellen. Hij doet dat meestal aan de hand van een aangifte, maar noodzakelijk is dat niet. Hij heeft in beginsel drie jaar de tijd voor het opleggen van de aanslag.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 11 AWR (aant. 1).
2. Wanneer vindt heffing bij wege van aanslag plaats (aant. 2)?
Of de heffing via het opleggen van een aanslag plaatsvindt, wordt bepaald door de desbetreffende heffingswet. Wanneer daar een bepaling is opgenomen dat de heffing geschiedt ‘bij wege van aanslag’, dan is hoofdstuk III AWR en daarmee art. 11 AWR van toepassing.
3. Wat is de functie van de aanslag (aant. 3)?
De belastingschuld vloeit rechtstreeks uit de wet voort en ontstaat niet pas door het vaststellen van de aanslag. De functie van de aanslag is alleen de uit de wet voortvloeiende materiële belastingschuld te formaliseren. Daarmee ontstaat allereerst een titel voor de invordering van de schuld, maar het is ook het beginpunt voor de rechtsbescherming.
4. Kunnen er meerdere aanslagen op één aanslagbiljet voorkomen? (aant. 6)?
Het is mogelijk om meerdere aanslagen op één aanslagbiljet te plaatsten. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Ook bij de gemeentelijke heffingen komt plaatsing van meerdere aanslagen op één biljet voor.
5. Kan een onjuiste aanslag vervangen worden door een nieuwe aanslag (aant. 8)?
Het opnieuw opleggen van een (definitieve) aanslag is niet toegestaan, ook niet als de aanslag onjuist blijkt te zijn. Herziening kan alleen door het opleggen van een navorderingsaanslag (art. 16 AWR).
6. Kan er ook een aanslag opgelegd worden als geen belasting verschuldigd is (aant. 12)?
Ook als er geen belasting verschuldigd is kan een (nihil)aanslag worden opgelegd. Dit maakt de verrekening van voorheffing en voorlopige aanslagen mogelijk (art. 15 AWR)
7. Wie is ‘de inspecteur’ (aant. 17)?
De functie van inspecteur wordt uitgeoefend door de directeuren van de vijf organisatieonderdelen van de Belastingdienst. Dat zijn: Belastingdienst/Particulieren, Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf, Belastingdienst/Grote ondernemingen, Belastingdienst/Centrale administratieve processen en Belastingdienst/Caribisch Nederland.
8. Welke onderzoeksplicht heeft de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag (aant. 20)?
Op grond van artikel. 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vergaart het bestuursorgaan, en daarmee ook de inspecteur, bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
9 Kan de inspecteur afwijken van de ingediende aangifte (aant. 21)?
De aangifte dient als (een belangrijk) hulpmiddel bij het vaststellen van de aanslag. Dat betekent dat de inspecteur van de aangifte kan afwijken. Wel zal hij zijn beslissing tot afwijking moeten motiveren. Hij kan ook een aanslag kan vaststellen als er geen aangifte is ingediend (art. 11, lid 2, AWR).
10. Binnen welke termijn moet de inspecteur de aanslag vaststellen (aant. 27)?
De termijn voor het opleggen van de aanslag is in beginsel drie jaar vanaf het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Deze termijn wordt verlengd met de periode van uitstel die voor het indienen van de aangifte is verleend (art. 11, lid 3 AWR). Verdere verlenging is aan de orde bij het opleggen van een informatiebeschikking. In dat geval wordt de termijn voor het opleggen van de aanslag verlengd met de periode tussen de bekendmaking van de informatiebeschikking en het moment van onherroepelijk worden ervan (art. 52a, lid 3 AWR).
11 Hoe treedt de aanslag in werking (aant. 31 en 32)?
De aanslag treedt in werking door de bekendmaking aan de belanghebbende (art. 3:41 en 3:42 Awb). Daarbij is het van belang dat een juiste tenaamstelling plaatsvindt.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Algemeen Deel, art. 11 AWR, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 04-04-2026
04-04-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/45 en V-N 2026/12.24.
01-01-1985 tot: -
Vakstudie Algemeen Deel, art. 11 AWR, aant. 1.1
Onbekend (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
aanslag (belasting)
aanslagbelasting
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 11
Beschouwing
Artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is het basisartikel uit hoofdstuk III AWR (‘Heffing van belasting bij wege van aanslag’). Het geeft de inspecteur de bevoegdheid om een aanslag vast te stellen. Hij doet dat meestal aan de hand van een aangifte, maar noodzakelijk is dat niet. Hij heeft in beginsel drie jaar de tijd voor het opleggen van de aanslag.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 11 AWR (aant. 1).
2. Wanneer vindt heffing bij wege van aanslag plaats (aant. 2)?
Of de heffing via het opleggen van een aanslag plaatsvindt, wordt bepaald door de desbetreffende heffingswet. Wanneer daar een bepaling is opgenomen dat de heffing geschiedt ‘bij wege van aanslag’, dan is hoofdstuk III AWR en daarmee art. 11 AWR van toepassing.
3. Wat is de functie van de aanslag (aant. 3)?
De belastingschuld vloeit rechtstreeks uit de wet voort en ontstaat niet pas door het vaststellen van de aanslag. De functie van de aanslag is alleen de uit de wet voortvloeiende materiële belastingschuld te formaliseren. Daarmee ontstaat allereerst een titel voor de invordering van de schuld, maar het is ook het beginpunt voor de rechtsbescherming.
4. Kunnen er meerdere aanslagen op één aanslagbiljet voorkomen? (aant. 6)?
Het is mogelijk om meerdere aanslagen op één aanslagbiljet te plaatsten. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Ook bij de gemeentelijke heffingen komt plaatsing van meerdere aanslagen op één biljet voor.
5. Kan een onjuiste aanslag vervangen worden door een nieuwe aanslag (aant. 8)?
Het opnieuw opleggen van een (definitieve) aanslag is niet toegestaan, ook niet als de aanslag onjuist blijkt te zijn. Herziening kan alleen door het opleggen van een navorderingsaanslag (art. 16 AWR).
6. Kan er ook een aanslag opgelegd worden als geen belasting verschuldigd is (aant. 12)?
Ook als er geen belasting verschuldigd is kan een (nihil)aanslag worden opgelegd. Dit maakt de verrekening van voorheffing en voorlopige aanslagen mogelijk (art. 15 AWR)
7. Wie is ‘de inspecteur’ (aant. 17)?
De functie van inspecteur wordt uitgeoefend door de directeuren van de vijf organisatieonderdelen van de Belastingdienst. Dat zijn: Belastingdienst/Particulieren, Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf, Belastingdienst/Grote ondernemingen, Belastingdienst/Centrale administratieve processen en Belastingdienst/Caribisch Nederland.
8. Welke onderzoeksplicht heeft de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag (aant. 20)?
Op grond van artikel. 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vergaart het bestuursorgaan, en daarmee ook de inspecteur, bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
9 Kan de inspecteur afwijken van de ingediende aangifte (aant. 21)?
De aangifte dient als (een belangrijk) hulpmiddel bij het vaststellen van de aanslag. Dat betekent dat de inspecteur van de aangifte kan afwijken. Wel zal hij zijn beslissing tot afwijking moeten motiveren. Hij kan ook een aanslag kan vaststellen als er geen aangifte is ingediend (art. 11, lid 2, AWR).
10. Binnen welke termijn moet de inspecteur de aanslag vaststellen (aant. 27)?
De termijn voor het opleggen van de aanslag is in beginsel drie jaar vanaf het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Deze termijn wordt verlengd met de periode van uitstel die voor het indienen van de aangifte is verleend (art. 11, lid 3 AWR). Verdere verlenging is aan de orde bij het opleggen van een informatiebeschikking. In dat geval wordt de termijn voor het opleggen van de aanslag verlengd met de periode tussen de bekendmaking van de informatiebeschikking en het moment van onherroepelijk worden ervan (art. 52a, lid 3 AWR).
11 Hoe treedt de aanslag in werking (aant. 31 en 32)?
De aanslag treedt in werking door de bekendmaking aan de belanghebbende (art. 3:41 en 3:42 Awb). Daarbij is het van belang dat een juiste tenaamstelling plaatsvindt.