FED 1992/29
De HR bevestigt de in de praktijk gebruikelijke 1%-norm voor het overlijdensrisico voor einddatum bij tijdelijke lijfrenten. De HR acht naast de in de Wet IB 1964 neergelegde eisen niet afzonderlijk 'kans-op-nadeel' voor de verzekeraar vereist, wil van een lijfrente in de zin van de Wet IB 1964 sprake zijn.
HR 30-10-1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4756, m.nt. J. Hoogendoorn
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30 oktober 1991
- Magistraten
Stoffer; Mijnssen; Wildeboer; Urlings; Zuurmond
- Zaaknummer
27 215
- Noot
J. Hoogendoorn
- LJN
ZC4756
- JCDI
JCDI:ADS208757:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Inkomstenbelasting / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1991:ZC4756, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑10‑1991
- Wetingang
Essentie
De HR bevestigt de in de praktijk gebruikelijke 1%-norm voor het overlijdensrisico voor einddatum bij tijdelijke lijfrenten. De HR acht naast de in de Wet IB 1964 neergelegde eisen niet afzonderlijk 'kans-op-nadeel' voor de verzekeraar vereist, wil van een lijfrente in de zin van de Wet IB 1964 sprake zijn.
Uitspraak
Het geschil betrof de aanslag inkomstenbelasting 1983.
Vaststaat:
Belanghebbende, geboren 31 augustus 1912, is gehuwd met mevrouw XY, geboren 8 maart 1923.
De echtgenote heeft met ingang van 1 december 1968 een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule gesloten. De jaarlijkse premie ad f 5000 is steeds als persoonlijke verplichting ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.