Art. 22aa Wet LB 1964 regelt de jonggehandicaptenkorting.
Wat vindt u in De Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 22aa
Art. 22aa Wet LB 1964 regelt de jonggehandicaptenkorting en is met ingang van 1 januari 2001 ingevoerd voor werknemers die een Wajong-uitkering ontvangen. Met ingang van 1 januari 2008 geldt deze heffingskorting eveneens in die gevallen dat er wel recht bestaat op een Wajong-uitkering maar deze niet wordt uitbetaald als gevolg ivan de toepassing van art. 1a:4, 2:40, 2:46, 3:8, 3:8b, 3:50 of 3:51 Wajong.
2. De jonggehandicaptenkorting
Het met ingang van 1 januari 2001 ingevoerde art. 22aa Wet LB 1964 regelt de jonggehandicaptenkorting. De jonggehandicaptenkorting is een heffingskorting. Voor deze korting komen slechts die werknemers in aanmerking die een Wajong-uitkering ontvangen. Is er wel recht op deze uitkering, maar wordt zij niet uitbetaald, dan bestaat geen recht op de jonggehandicaptenkorting (aant. 2). In afwijking daarvan blijft het recht op de korting wel bestaan indien het niet uitbetalen van de jonggehandicaptenuitkering slechts een gevolg is van de toepassing van art. 1a:4, 2:40, 2:46, 3:8, 3:8b, 3:50 of 3:51 (t/m 2009: art. 50, 51 of 51a Wajong) (1 januari 2010 t/m 31 december 2020: art. 3:48, 3:50 of 3:51Wajong). Art.1a:4, 2:40, 2:46, 3:8, 3:8b, 3:50 of 3:51 (dan wel art. 50, 51 en 51a Wajong, dan wel art. 3:48, 3:50 of 3:51Wajong) hebben betrekking op de jonggehandicapten die feitelijk geen uitkering genieten in verband met de aanwezigheid van een andere uitkering of het genieten van loon uit dienstbetrekking (aant. 2.1). Het bedrag van de korting wordt jaarlijks vastgesteld (aant. 3).
Hierna wordt ingegaan op het ontstaan van de bepaling (aant. 1.2), het literatuuroverzicht (aant. 1.3), doel en strekking (aant. 1.4), de context van de bepaling (aant. 1.6), de hardheidsclausule (aant. 1.13) en Parlementaire varia (aant. 1.20).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Loonbelasting en Premieheffingen, art. 22aa Wet LB 1964, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 07-04-2026
07-04-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/51 en V-N 2026/14.24.9
01-01-2001 tot: -
Vakstudie Loonbelasting en Premieheffingen, art. 22aa Wet LB 1964, aant. 1.1
Verzekeringsrecht / Pensioenrecht
Loonbelasting / Tarief
heffingskorting
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 22aa
Beschouwing
Inleiding
Art. 22aa Wet LB 1964 regelt de jonggehandicaptenkorting.
Wat vindt u in De Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 22aa
Art. 22aa Wet LB 1964 regelt de jonggehandicaptenkorting en is met ingang van 1 januari 2001 ingevoerd voor werknemers die een Wajong-uitkering ontvangen. Met ingang van 1 januari 2008 geldt deze heffingskorting eveneens in die gevallen dat er wel recht bestaat op een Wajong-uitkering maar deze niet wordt uitbetaald als gevolg ivan de toepassing van art. 1a:4, 2:40, 2:46, 3:8, 3:8b, 3:50 of 3:51 Wajong.
2. De jonggehandicaptenkorting
Het met ingang van 1 januari 2001 ingevoerde art. 22aa Wet LB 1964 regelt de jonggehandicaptenkorting. De jonggehandicaptenkorting is een heffingskorting. Voor deze korting komen slechts die werknemers in aanmerking die een Wajong-uitkering ontvangen. Is er wel recht op deze uitkering, maar wordt zij niet uitbetaald, dan bestaat geen recht op de jonggehandicaptenkorting (aant. 2). In afwijking daarvan blijft het recht op de korting wel bestaan indien het niet uitbetalen van de jonggehandicaptenuitkering slechts een gevolg is van de toepassing van art. 1a:4, 2:40, 2:46, 3:8, 3:8b, 3:50 of 3:51 (t/m 2009: art. 50, 51 of 51a Wajong) (1 januari 2010 t/m 31 december 2020: art. 3:48, 3:50 of 3:51Wajong). Art.1a:4, 2:40, 2:46, 3:8, 3:8b, 3:50 of 3:51 (dan wel art. 50, 51 en 51a Wajong, dan wel art. 3:48, 3:50 of 3:51Wajong) hebben betrekking op de jonggehandicapten die feitelijk geen uitkering genieten in verband met de aanwezigheid van een andere uitkering of het genieten van loon uit dienstbetrekking (aant. 2.1). Het bedrag van de korting wordt jaarlijks vastgesteld (aant. 3).
Hierna wordt ingegaan op het ontstaan van de bepaling (aant. 1.2), het literatuuroverzicht (aant. 1.3), doel en strekking (aant. 1.4), de context van de bepaling (aant. 1.6), de hardheidsclausule (aant. 1.13) en Parlementaire varia (aant. 1.20).