FED 1993/454
Belanghebbende genoot inkomsten uit een aantal commissariaten, bestuursfuncties en adviseurschappen. In cassatie is de vraag aan de orde of de inspecteur deze inkomsten als winst uit onderneming in plaats van als niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en diensten in aanmerking had moeten nemen. De Hoge Raad oordeelt in het onderhavige geval dat belanghebbende geen onderneming dreef. Niet van beslissende betekenis is daarbij de omstandigheid dat belanghebbende voor de heffing van omzetbelasting wel als ondernemer was aangemerkt.
HR 21-04-1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5328, m.nt. W.M.E. van Gorkum
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21 april 1993
- Magistraten
Jansen; Linde, Van Der; Bellaart; Jansen; Putt-Lauwers, Van Der
- Zaaknummer
28 189
- Noot
W.M.E. van Gorkum
- LJN
ZC5328
- JCDI
JCDI:ADS225172:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Inkomstenbelasting / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1993:ZC5328, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑04‑1993
- Wetingang
Art. 6 Wet IB 1964
Essentie
Belanghebbende genoot inkomsten uit een aantal commissariaten, bestuursfuncties en adviseurschappen. In cassatie is de vraag aan de orde of de inspecteur deze inkomsten als winst uit onderneming in plaats van als niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en diensten in aanmerking had moeten nemen. De Hoge Raad oordeelt in het onderhavige geval dat belanghebbende geen onderneming dreef. Niet van beslissende betekenis is daarbij de omstandigheid dat belanghebbende voor de heffing van omzetbelasting wel als ondernemer was aangemerkt.
Uitspraak
Het geschil betrof de aanslag inkomstenbelasting 1987.
Vaststaat:
3.1. Belanghebbende, geboren in 1923 en gedurende het gehele jaar 1987 gehuwd, was ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.