FED 1996/934
X BV heeft op 29 december 1992 een perceel grond verkregen van de Gemeente Q. Deze grond is door de gemeente vanaf 1 januari 1988 tot het moment van de overdracht ten titel van verhuur aan X BV in gebruik gegeven als parkeerterrein en groenvoorziening. De gemeente heeft de grond daardoor in haar hoedanigheid van ondernemer als bedrijfsmiddel gebruikt. Het beroep op de vrijstelling voor de overdrachtsbelasting ex art. 15, eerste lid, onderdeel a, Wet BRV faalt derhalve.
HR 09-10-1996, ECLI:NL:HR:1996:AA2043, m.nt. R.N.G. van der Paardt
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
9 oktober 1996
- Magistraten
Linde, van der; Moor, de; Putt-Lauwers, van der; Brunschot, van
- Zaaknummer
31 429
- Noot
R.N.G. van der Paardt
- LJN
AA2043
- JCDI
JCDI:ADS226062:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingen van rechtsverkeer (V)
Belastingen van rechtsverkeer / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1996:AA2043, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑10‑1996
- Wetingang
Art. 15, eerste lid, onderdeel a, Wet BRV
Essentie
X BV heeft op 29 december 1992 een perceel grond verkregen van de Gemeente Q. Deze grond is door de gemeente vanaf 1 januari 1988 tot het moment van de overdracht ten titel van verhuur aan X BV in gebruik gegeven als parkeerterrein en groenvoorziening. De gemeente heeft de grond daardoor in haar hoedanigheid van ondernemer als bedrijfsmiddel gebruikt. Het beroep op de vrijstelling voor de overdrachtsbelasting ex art. 15, eerste lid, onderdeel a, Wet BRV faalt derhalve.
Uitspraak
Het geschil betrof de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting ter zake van een verkrijging op 29 december 1992.
Vaststaat:
1. Belanghebbende heeft ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.