Op grond van artikel 5 Wet op de accijns (WA) is het verboden accijnsgoederen buiten een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen te vervaardigen dan wel accijnsgoederen voorhanden te hebben die niet overeenkomstig de bepalingen van de WA in de heffing zijn betrokken. In artikel 97 WA is de strafbepaling opgenomen op de opzettelijke overtreding van de in artikel 5 WA opgenomen verboden.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis van artikel 97 Wet op de accijns
In aant. 1.2.1 vindt u een toelichting op de totstandkoming van artikel 97 Wet op de accijns. Een chronologisch overzicht van de parlementaire behandeling vindt u in aant. 1.2.2. Vervolgens worden in aant. 1.4 doel en strekking van dit artikel behandeld. In aant. 1.6 wordt nader ingegaan op de context waarin dit artikel moet worden geplaatst.
2. Wat is de straf op de opzettelijke overtreding van de in artikel 5 WA opgenomen verboden?
Met ingang van 1 januari 1998 bevat artikel 97 WA alleen nog de strafbepaling met betrekking tot de opzettelijke overtreding van de in artikel 5 WA opgenomen verboden. Degene die opzettelijk een in artikel 5 WA opgenomen verbod overtreedt, wordt op grond van artikel 97 WA gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven accijns. (aant. 2).
3. Strafbepalingen tot 1 januari 1998
In aant. 2 wordt ook ingegaan op de strafbepalingen zoals die golden tot 1 januari 1998. Tot 1 januari 1998 was in artikel 97 WA een strafbepaling opgenomen voor degene die een accijnsgoed vervaardigt buiten een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen of een accijnsgoed voorhanden heeft dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken, zowel in de gevallen waarin geen en wel sprake was van opzet.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Accijnzen en milieubelastingen, art. 97 WA, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 05-05-2026
05-05-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/65 en V-N 2026/19.22
01-01-1992 tot: -
Vakstudie Accijnzen en milieubelastingen, art. 97 WA, aant. 1.1
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
strafbepalingen accijns
accijns
Wet op de accijns artikel 97
Beschouwing
Op grond van artikel 5 Wet op de accijns (WA) is het verboden accijnsgoederen buiten een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen te vervaardigen dan wel accijnsgoederen voorhanden te hebben die niet overeenkomstig de bepalingen van de WA in de heffing zijn betrokken. In artikel 97 WA is de strafbepaling opgenomen op de opzettelijke overtreding van de in artikel 5 WA opgenomen verboden.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis van artikel 97 Wet op de accijns
In aant. 1.2.1 vindt u een toelichting op de totstandkoming van artikel 97 Wet op de accijns. Een chronologisch overzicht van de parlementaire behandeling vindt u in aant. 1.2.2. Vervolgens worden in aant. 1.4 doel en strekking van dit artikel behandeld. In aant. 1.6 wordt nader ingegaan op de context waarin dit artikel moet worden geplaatst.
2. Wat is de straf op de opzettelijke overtreding van de in artikel 5 WA opgenomen verboden?
Met ingang van 1 januari 1998 bevat artikel 97 WA alleen nog de strafbepaling met betrekking tot de opzettelijke overtreding van de in artikel 5 WA opgenomen verboden. Degene die opzettelijk een in artikel 5 WA opgenomen verbod overtreedt, wordt op grond van artikel 97 WA gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven accijns. (aant. 2).
3. Strafbepalingen tot 1 januari 1998
In aant. 2 wordt ook ingegaan op de strafbepalingen zoals die golden tot 1 januari 1998. Tot 1 januari 1998 was in artikel 97 WA een strafbepaling opgenomen voor degene die een accijnsgoed vervaardigt buiten een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen of een accijnsgoed voorhanden heeft dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken, zowel in de gevallen waarin geen en wel sprake was van opzet.