FED 1997/896
Moeder-BV keurt besluit tot winstreservering door dochter-BV goed: verkapte winstuitdeling?
HR 19-11-1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3295, m.nt. P.G.H. Albert
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19 november 1997
- Magistraten
Jansen, R.J.J.; Bellaart; Putt-Lauwers, van der; Brunschot, van; Vliet, van
- Zaaknummer
32 951
- Noot
P.G.H. Albert
- LJN
AA3295
- JCDI
JCDI:ADS227150:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1997:AA3295, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑11‑1997
- Wetingang
Art. 14 Wet Vpb. 1969
Essentie
Moeder-BV keurt besluit tot winstreservering door dochter-BV goed: verkapte winstuitdeling?
Uitspraak
Het geschil betrof de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1988.
VASTSTAAT:
3.1 Tot 1984 hadden X en A ieder 50% van de aandelen in de toenmalige werkmaatschappij B BV. In 1984 heeft een interne reorganisatie plaatsgevonden. Deze reorganisatie hield het navolgende in.
X en A richtten ieder een persoonlijke vennootschap op, genaamd C BV, respectievelijk D BV. Vervolgens richtten deze twee holdingvennootschappen tezamen met B BV op 27 maart 1984 een nieuwe vennootschap op, genaamd E BV, welke naam nadien gewijzigd is in F BV. Het gehele geplaatste aandelenkapitaal van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.