Einde inhoudsopgave
Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting
Artikel 7 Hetgeen tot een objectieve onderneming wordt gerekend
Geldend
Geldend vanaf 01-01-2026
- Bronpublicatie:
24-12-2025, Stcrt. 2025, 42873 (uitgifte: 24-12-2025, regelingnummer: 2025-0000592934)
- Inwerkingtreding
01-01-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
24-12-2025, Stcrt. 2025, 42873 (uitgifte: 24-12-2025, regelingnummer: 2025-0000592934)
- Vakgebied(en)
Schenk- en erfbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Schenkbelasting
1.
Onder een objectieve onderneming als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de wet worden mede begrepen:
- a.
buitenvennootschappelijk gehouden ondernemingsvermogen, mits dit vermogen bestaat uit onroerende zaken; en
- b.
rechtstreeks met die onroerende zaken samenhangende schulden.
2.
Tot een objectieve onderneming als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de wet die toebehoort aan een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld, worden mede gerekend:
- a.
onroerende zaken die op de voet van artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ter beschikking zijn gesteld aan de vennootschap en dienstbaar zijn aan de onderneming van de vennootschap; en
- b.
rechtstreeks met die onroerende zaken samenhangende schulden.
3.
Indien ingevolge artikel 35c, vijfde lid, van de wet bezittingen en schulden van een lichaam voor een gedeelte worden toegerekend aan een ander lichaam, worden deze bezittingen en schulden voor de in artikel 35b, eerste lid, van de wet bedoelde bepaling van de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming, voor het geheel in aanmerking genomen voor zover zij ondernemingsvermogen vormen als bedoeld in artikel 35c van de wet.
4.
Indien de verkrijging aandelen betreft in een lichaam waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, op enig moment in het afgelopen jaar, onderscheidenlijk op enig moment in de afgelopen vijf jaren, indirect aandeelhouder was, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de situatie als ware de erflater, onderscheidenlijk de schenker, nog steeds indirect aandeelhouder. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing in een situatie waarin de verkrijging aandelen betreft in een lichaam dat is ontstaan bij een juridische splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
5.
Voor het eerste en tweede lid is artikel 35c, elfde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.