Einde inhoudsopgave
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Bijlage 2.23.1
Geldend
Geldend van 21-12-2024 tot 01-01-2029
- Bronpublicatie:
18-12-2024, Stcrt. 2024, 41560 (uitgifte: 20-12-2024, regelingnummer: WJZ/95185795)
- Inwerkingtreding
21-12-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
18-12-2024, Stcrt. 2024, 41560 (uitgifte: 20-12-2024, regelingnummer: WJZ/95185795)
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursrecht algemeen / Bijzondere onderwerpen bestuursrecht
behorende bij artikel 2.23.9, tweede lid, onderdeel d, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies
Onderdeel 1
De subsidieaanvraag wordt beoordeeld op stimulerend effect en economische haalbaarheid (artikel 23, onderdeel c en e van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies). Het exploitatiemodel geeft inzicht in de economische haalbaarheid van het project en is tegelijkertijd een indicatie voor het stimulerend effect. Het stimulerende effect wordt niet alleen op economische criteria beoordeeld. De exploitatieberekening berekent een aantal sleutelindicatoren om de economische haalbaarheid van het project te beoordelen. Dit zijn de netto contante waarde van het project, de terugverdientijd van de investering en de interne rentabiliteit.
Berekeningsmethode
De netto contante waarde (NCW) wordt berekend met de volgende formule:

Opbrengsten
De opbrengsten in het jaar t (Ot...) zijn gelijk aan:
Ot = (TTt × Pt) + (AVt × Nt) + OSt + (Ovar × Qt) + Ovast
Waarbij
TTt = Transporttarief in €/MW in jaar t, wanneer van toepassing;
Pt = Vermogen van de aansluitingen waarvoor het transporttarief betaald wordt in jaar t;
AVt = Aansluitvergoeding in jaar t, wanneer van toepassing;
Nt = Aantal aansluitingen waarvoor de aansluitvergoeding betaald wordt in jaar t;
OSt = Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en van openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
Ovar = Variabele opbrengsten (marge inkoop – verkoop warmte glastuinbouw) in € / GJ geleverd in jaar t, wanneer van toepassing;
Qt = Hoeveelheid geleverde warmte in GJ in jaar t;
Ovast = Overige inkomsten in jaar t, wanneer van toepassing.
Uitgaven
De totale uitgaven in het jaar t (Ut) zijn gelijk aan:
Ut = OKt + AKt + WVt + ALt + Kvast
Waarbij
OKt= Onderhoudskosten voor onderdelen van het efficiënte warmtenet in jaar t;
AKt= Administratiekosten in jaar t;
WVt= Kosten voor warmteverlies in jaar t, wanneer van toepassing;
ALt= Subsidiabele kosten zoals opgenomen in de mijlpalenbegroting als bedoeld in artikel 2.23.9, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 1°., in jaar t.
Kvast = Overige kosten in jaar t, wanneer van toepassing.
Waarbij
WVt = QDV × Qt × Pt;
Met
P = De inkoop- of productieprijs van warmte in jaar t;
QDV = het warmteverlies in % van de warmteafzet.
Uitgangspunt
OKt
Voor leidingen: maximaal 1% van de subsidiabele investeringskosten
Voor overdrachtsstations: maximaal 3% van de subsidiabele investeringskosten
Voor warmteopslag, maximaal 1,5% van de investering
Terugverdientijd en interne rentabiliteit
De terugverdientijd is de kleinste waarde voor Ttvt waarin


Onderdeel 2
In dit onderdeel is uitgewerkt welke documenten van het voorlopig of definitief ontwerp, als bedoeld in artikel 2.23.9, tweede lid, onderdeel e, dienen te worden aangeleverd. Dit ontwerp moet minimaal bestaan uit de volgende onderdelen en dient aangeleverd te worden in PDF-format.
- 1.
De afbakening van het projectgebied met een gedetailleerde weergave van de begrenzing van het aan te sluiten gebied. Geef hierin de demarcatie tussen de leidingen die behoren bij het aan te leggen warmtenet en de warmteafleversets en overdrachtstations. De bestaande bovengrondse infrastructuur van het gebied moet opgenomen worden in deze tekening.
- 2.
De afbakening van het projectgebied met daarin de mogelijk aan te sluiten glastuinbouwondernemingen en andere aansluitingen in 2040 met indicatie van de ligging van de onderdelen van het efficiënte warmtenet die nodig gaan zijn om deze aansluitingen te kunnen realiseren.
- 3.
Tekening met leidingligging en warmteoverdrachtstations in het x-y vlak, afgestemd op andere ondergrondse- en bovengrondse infrastructuur. De afstemming op andere boven- en ondergrondse infrastructuur moet blijken uit de ontwerptekening en/of uit een aparte toelichting op de ontwerptekening. Daarnaast dient u de aan te leggen koppelleidingen en opslag op te nemen.
- 4.
De tekening bevat de onderdelen van het efficiëntie warmtenet ten behoeve van levering uitsluitend aan glastuinbouwondernemingen, uitsluitend aan overige aansluitingen en gecombineerde onderdelen die warmte leveren aan glastuinbouw en andere aansluitingen. Voor alle onderdelen dient een duidelijke nummering of labeling aangegeven te worden op de tekening die ook gehanteerd wordt in de uitsplitsing van de kosten zoals bedoeld in artikel 2.23.4, derde lid en in de begroting, zodat dit herleidbaar is.
- 5.
Een tekening met de fasering van de bouw van het warmtenet, en het leidingverloop. De fases dienen overeen te komen met de fasering die in het projectplan is opgenomen voor de mijlpalen. Het leidingverloop wordt aangegeven met DN-maat per leidingdeel. De fasering en het leidingverloop mogen ook in een andere tekening verwerkt worden, mits dit duidelijk is aangegeven.
Onderdeel 3
De totale subsidiabele investeringskosten moeten in het model exploitatieberekening worden uitgesplitst naar de kostencomponenten loonkosten, kosten derden, investeringen in gebouwen en gronden, investeringen in leidingdelen per DN-maat van het efficiënte warmtenet, de koppelleiding en de aansluiting, investeringen in warmteoverdrachtstations en overige investeringen. Deze kosten moeten op grond van artikel 2.3.9, lid 2, onderdeel a, subonderdeel 5, worden opgenomen in de mijlpalenbegroting. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:
Vaste mijlpalen
De mijlpalenbegroting bevat in ieder geval drie verplichte mijlpalen, namelijk:
- ○
Mijlpaal 1: investeringsbesluit
- ○
Mijlpaal 2: financieringsbesluit
- ○
Mijlpaal 3: opdrachtverstrekking
Indien het investerings- en het financieringsbesluit op hetzelfde moment worden genomen, mogen mijlpaal 1 en 2 worden samengevoegd. Na de verplichte mijlpalen worden de mijlpalen door de aanvrager bepaald overeenkomstig de fasering van het project, zoals opgenomen in het projectplan. Voor het gehele project kunnen maximaal 15 mijlpalen opgenomen worden.
Aanvang en einde van de mijlpalen
Een mijlpaal vangt aan op het moment dat de aanvrager kosten begint te maken voor het behalen van een bepaald resultaat. Met het behalen van het resultaat, wordt ook de mijlpaal behaald. Een mijlpaal moet daarbij altijd aansluiten of overlappen met een volgende mijlpaal, zodat er geen fasen zijn waarin geen kosten worden opgevoerd. De concreet definieerbare startpunten en resultaten worden opgenomen in de mijlpalenbegroting en verder onderbouwd in het projectplan. Op de einddatum van een mijlpaal wordt het resultaat overgelegd aan RVO.
De eerste mijlpaal start op de startdatum van het project. Dit moment is van belang omdat het eerste voorschot ambtshalve binnen twee weken na aanvang van de activiteiten wordt verstrekt. De einddatum van het project is ook de einddatum van de laatste mijlpaal.
Inhoud van de mijlpalen
Iedere mijlpaal vertegenwoordigt een concreet definieerbaar resultaat. Dit kan naast de resultaten zoals genoemd in de eerste drie mijlpalen bijvoorbeeld ook zijn dat een deel van het project wordt opgeleverd. In de mijlpaal worden alle subsidiabele kosten opgenomen die gemaakt worden in aanloop naar het te behalen resultaat. Op de einddatum van een mijlpaal overlegt de aanvrager het ontwerp waarop staat aangegeven welke leidingen of leidingdelen, warmteoverdrachtstations en aansluitingen met deze mijlpaal zijn gerealiseerd.
Meldplicht
Indien de aanvrager een mijlpaal niet haalt, langer doet over het te behalen resultaat of met de kosten afwijkt van hetgeen is opgegeven bij de aanvraag, dan doet hij hier binnen twee maanden melding van aan RVO. Dit kan gevolgen hebben voor de uitbetaling van de voorschotten.