Einde inhoudsopgave
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Artikel 4.2.70b Informatieverplichtingen voor de aanvraag om subsidievaststelling en tot vijf jaar na subsidievaststelling voor DEI+-projecten binnen thema 2.9 Waterstof en groene chemie, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B
Geldend
Geldend van 01-01-2026 tot 01-01-2028
- Bronpublicatie:
15-12-2025, Stcrt. 2025, 43110 (uitgifte: 18-12-2025, regelingnummer: WJZ/101744474)
14-12-2025, Stcrt. 2025, 43782 (uitgifte: 23-12-2025, regelingnummer: WJZ/99470189)
- Inwerkingtreding
01-01-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
15-12-2025, Stcrt. 2025, 43110 (uitgifte: 18-12-2025, regelingnummer: WJZ/101744474)
14-12-2025, Stcrt. 2025, 43782 (uitgifte: 23-12-2025, regelingnummer: WJZ/99470189)
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursrecht algemeen / Bijzondere onderwerpen bestuursrecht
1.
Onverminderd artikel 4.2.3, derde lid, verstrekt de subsidieontvanger voor een DEI+-project binnen subthema 2.9.4 Productie van waterstof, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, bij de aanvraag voor de subsidievaststelling per kalenderjaar voor de periode vanaf ingebruikname van de elektrolyser tot de aanvraag voor de subsidievaststelling en na de subsidievaststelling gedurende vijf jaar jaarlijks voor 1 april aan de minister:
- a.
de registratie van de draaiuren van de elektrolyser;
- b.
de hoeveelheid elektriciteit die de elektrolyser heeft verbruikt ten behoeve van de waterstofproductie en de hoeveelheid waterstof die daarmee is geproduceerd aan de hand van meetgegevens die zijn gebaseerd op een meetprotocol en meetrapport die zijn goedgekeurd door een meetverantwoordelijke partij;
- c.
een onderbouwing dat de elektrolyser alleen hernieuwbare waterstof heeft geproduceerd in dezelfde kalendermaand waarin elektriciteit is geproduceerd door de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit en de elektrolyser in die kalendermaand niet meer elektriciteit heeft verbruikt dan de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in die kalendermaand heeft geproduceerd;
- d.
een of meerdere overeenkomsten voor de afname van elektriciteit van een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit door de elektrolyser voor de productie van hernieuwbare waterstof, tenzij het gaat om een elektrolyser die met een directe lijn is aangesloten op een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit van de subsidieontvanger;
- e.
een onderbouwing dat de waterstof die is geproduceerd, per kalendermaand een broeikasgasemissiereductie van ten minste 70% heeft bewerkstelligd ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2eq/MJ (2,256 tCO2eq/tH2), indien het productie van hernieuwbare en niet-hernieuwbare waterstof of uitsluitend niet-hernieuwbare waterstof betreft;
- f.
een onderbouwing dat de waterstof die is geproduceerd, per kalendermaand een broeikasgasemissiereductie van ten minste 100% heeft bewerkstelligd ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2eq/MJ (2,256 tCO2eq/tH2), indien het productie van uitsluitend hernieuwbare waterstof betreft.
2.
In afwijking van het eerste lid, kan de subsidieontvanger een certificaat verstrekken dat is opgesteld met een door de Europese Commissie op grond van artikel 30, vierde lid, van de Richtlijn hernieuwbare energie erkend vrijwillig nationaal of internationaal systeem waarmee wordt bewezen dat:
- a.
de waterstofproductie-installatie zodanig is ontworpen en de elektriciteits- en waterstofstromen zodanig worden gemeten en geadministreerd dat aantoonbaar volledig hernieuwbare waterstof kan worden geproduceerd;
- b.
de te produceren waterstof als volledig hernieuwbaar kan worden aangemerkt; en
- c.
indien met de waterstofproductie-installatie ook niet-hernieuwbare waterstof zal worden geproduceerd, de broeikasgasemissiereductie van het totaal aan te produceren volledig hernieuwbare waterstof en waterstof die niet volledig hernieuwbaar is samen tenminste 70% is ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2eq/MJ (2,256 tCO2eq/tH2).
3.
Indien de minister een subsidie voor de exploitatie van een DEI+-project binnen thema 2.9 Waterstof en groene chemie, opgenomen in bijlage 4.2.9, onderdeel B, verstrekt, is het eerste lid niet van toepassing vanaf de datum van het verstrekken van de exploitatiesubsidie.
4.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de elektrolyser niet in gebruik is genomen.
5.
Indien de elektrolyser van een pilotproject bij de aanvraag voor subsidievaststelling definitief buiten gebruik is gesteld, geldt het eerste lid niet. In dat geval verstrekt de aanvrager bij de aanvraag om subsidievaststelling een bewijs dat de elektrolyser definitief buiten gebruik is gesteld.
6.
Indien een opslagfaciliteit deel uitmaakt van de elektrolyser, geldt het eerste lid, onderdeel c, niet voor de momenten dat de elektrolyser elektriciteit die afkomstig is van de opslagfaciliteit, heeft verbruikt, indien de opslagfaciliteit:
- a.
enkel is geladen met elektriciteit in dezelfde kalendermaand dat er elektriciteit is geproduceerd door de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit; en
- b.
met niet meer elektriciteit is geladen in die kalendermaand dan de productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in die kalendermaand heeft geproduceerd.
7.
In het geval van het zesde lid verstrekt de subsidieontvanger bij een aanvraag voor subsidievaststelling en na de subsidievaststelling gedurende vijf jaar jaarlijks voor 1 april aan de minister een onderbouwing van de wijze waarop technisch is gewaarborgd dat is voldaan het zesde lid, onderdelen a en b.