Einde inhoudsopgave
Besluit bouwwerken leefomgeving - Nota van toelichting
§ 4.2.8 Beperking van uitbreiding van brand
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
De kans op de uitbreiding van brand moet voldoende worden beperkt. De belangrijkste bouwkundige voorziening daarbij is de brandcompartimentering. Een brandcompartiment is een gedeelte van een bouwwerk of een groep bouwwerken bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand (zie de toelichting op bijlage I). Paragraaf 4.2.8 bevat regels voor deze brandcompartimentering.
De regels die dit besluit stelt aan de brandveiligheid van bouwwerken zijn, evenals hiervoor de vergelijkbare eisen in het Bouwbesluit 2012, uitputtend bedoeld. Dit geldt daarmee ook voor de brandcompartimentering. Lokale overheden kunnen ook op dit onderdeel dus geen aanvullende regels stellen. Wel kan een gemeente in het omgevingsplan rekening houden met de brandveiligheid op gebiedsniveau. Bijvoorbeeld door de toedeling van functies, het stellen van ruimtelijke regels aan bouwwerken (maximale afmetingen, goothoogte, afstand tot perceelsgrenzen) en het stellen van regels op grond van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Ook kunnen er voor specifieke milieubelastende activiteiten aanvullende bouwkundige regels volgen uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Zo kan het volgens het Besluit activiteiten nodig zijn een brandwerende scheidingsconstructie aan te brengen rondom een activiteit. Ook kan de krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde weerstand tegen branddoorslag van een brandwerende scheidingsconstructie hoger zijn dan uit het voorliggende besluit voortvloeit. Als de beide van toepassing zijnde besluiten tot verschillende eisenniveaus leiden, geldt de zwaarste eis. Om de milieubelastende activiteit daadwerkelijk in het bouwwerk te kunnen laten plaatsvinden zal zowel de brandwerende scheidingsconstructie op grond van dit besluit moeten worden aangebracht als de hogere eis aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag moeten worden gerealiseerd.
Artikel 4.49 (aansturingsartikel)
Een bouwwerk moet volgens het eerste lid zodanig zijn dat een eventuele brand in dat bouwwerk beheerst kan worden zodat de kans op een uitbreiding van die brand naar bouwwerken op andere percelen beperkt blijft. Het gaat daarbij niet om het voorkomen van schade maar wel om het voorkomen van een onbeheersbare brand die zich uitstrekt tot andere bouwwerken in de omgeving. Naast het beschermen van bouwwerken op andere percelen ziet de functionele eis ook toe op het vluchten en op de hulpverlening. De brand in een bouwwerk mag zich niet zodanig snel ontwikkelen dat het vluchten of de hulpverlening in gevaar komt, zowel op als buiten het perceel. De functionele eis impliceert dat een bouwwerk desnoods helemaal mag afbranden zolang de brand maar niet overslaat naar bouwwerken op andere percelen en zolang de personen maar veilig kunnen vluchten. De functionele eis is vergeleken met het Bouwbesluit 2012 alleen redactioneel verduidelijkt. Het niveau van eisen is hetzelfde gebleven.
Artikel 4.4 regelt voor deze paragraaf dat de in het eerste lid bedoelde functionele eis onverkort van toepassing is op de gebruiksfuncties waarvoor in de tabel geen enkele regel is aangewezen (ander bouwwerk geen gebouw zijnde). Dit is een afwijking van de hoofdregel die voor de meeste andere paragrafen aangeeft dat een aansturingsartikel niet van toepassing is op een gebruiksfunctie waarvoor geen regel is opgenomen in de tabel van het aansturingsartikel.
Artikel 4.50 (brandcompartiment: ligging)
In dit artikel is aangegeven wanneer een ruimte wel of niet in een brandcompartiment moet liggen. De omvang van het brandcompartiment is geregeld in artikel 4.51 en de eisen waaraan het brandcompartiment moet voldoen (de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag) als bedoeld in artikel 4.53.
Het eerste lid geeft de basisregel. Iedere besloten ruimte moet in een brandcompartiment liggen. Dit geldt op grond van het tweede lid niet voor een toiletruimte en een badruimte en ook niet voor een liftschacht en een kleine technische ruimte als deze aan de in onderdeel c respectievelijk d genoemde randvoorwaarden voldoet.
In een brandcompartiment kunnen afhankelijk van de feitelijke situatie ook meerdere besloten ruimten liggen. Zo liggen de woonkamer, keuken, slaapkamers en andere ruimten in een woning over het algemeen in hetzelfde brandcompartiment. Een toiletruimte en badruimte en een liftschacht en een kleine technische ruimte hoeven niet altijd in een brandcompartiment te liggen maar mogen dat wel. Als de ruimte wel binnen de grenzen van een brandcompartiment ligt, wordt de ruimte tot het brandcompartiment gerekend. Dit geldt niet voor de genoemde besloten ruimten die niet in een brandcompartiment behoeven te liggen, het mag echter wel. Aangenomen mag worden dat in de genoemde ruimten het risico op een onbeheersbare brand verwaarloosbaar is, zodat het niet nodig is dat die ruimte in een brandcompartiment ligt.
Opgemerkt wordt dat ruimten die niet goed van elkaar zijn gescheiden als één geheel moeten worden beschouwd. Dit betekent dat de totale oppervlakte van deze ruimtes moet worden opgeteld om te beoordelen of ze buiten een brandcompartiment mogen liggen.
Het eerste lid spreekt nadrukkelijk van een besloten ruimte. In een niet-besloten ruimte zal er namelijk geen brandontwikkeling tot flash-over kunnen optreden waardoor er een compartimentbrand ontstaat. Het rapport ‘Onderzoek niet-besloten ruimten’ (DGMR, dd 10 maart 2015, zie www.rijksoverheid.nl) geeft voor zo'n niet-besloten ruimte de volgende criteria:
- —
Geen rookophoping met een temperatuur > 200°C (vorming van een rooklaag van 0,5 m dikte of meer), en
- —
Tijdsduur: gelijk aan de hoogste wbdbo-eis naar omliggende compartimenten.
Het derde lid is gericht op een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m.
In aanvulling op het eerste lid is bepaald dat zowel een besloten als een niet-besloten gedeelte van een wegtunnelbuis in een brandcompartiment moeten liggen. Een wegtunnelbuis staat per slot van rekening aan twee zijden in open verbinding met de buitenlucht en is daarom nabij de tunnelmond geen besloten ruimte in de zin van dit besluit. Toch mag een wegtunnelbuis niet per definitie worden beschouwd als een niet-besloten ruimte in de zin van dit besluit. Zie ook artikel 4.79.
Het vierde lid geeft aan dat een ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert nooit in een brandcompartiment mag liggen.
Omdat een liftschacht (die aan de randvoorwaarden voldoet) volgens het eerste lid niet in een brandcompartiment hoeft te liggen, is het mogelijk een liftschacht op te nemen in een ruimte waardoor een in het derde lid bedoelde extra beschermde verkeersruimte voert. Het is ook mogelijk een liftschacht op te nemen in een brandcompartiment zodat de lift direct op een verblijfsgebied kan aansluiten. Die liftschacht hoeft niet te voldoen aan de in het eerste lid, onderdeel c, gegeven voorwaarden voor een buiten een brandcompartiment gelegen lift. De brandveiligheid van een liftkooi, de attributen in een liftschacht en andere onderdelen van een lift wordt geregeld via de Europese richtlijn liften en het Warenwetbesluit liften. Het vijfde lid regelt voor de industriefunctie en de overige gebruiksfunctie dat ook de niet-besloten gebruiksgebieden in een brandcompartiment moeten liggen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een inpandige houtopslag die vanwege de noodzakelijke ventilatie vaak in een niet-besloten ruimte ligt. Het zesde lid is van toepassing op de industriefunctie en op bouwwerken geen gebouw zijnde met een geringe vuurbelasting en geeft aan onder welke voorwaarden deze niet in een brandcompartiment behoeven te liggen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een gebruiksfunctie van de zelfde soort bijvoorbeeld een tweede industriefunctie in hetzelfde gebouw is. Daarbij wordt echter geen onderscheid gemaakt naar subgebruiksfunctie. Een industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren behoort tot de soort ‘industriefunctie’. Een als lichte industriefunctie voor het bedrijfsmatig houden van dieren aangemerkte veestal behoort dus evengoed tot de soort ‘industriefunctie’ als een als industriefunctie aangemerkte, loods voor het onderhoud van landbouwvoertuigen.
Het zevende lid regelt dat het eerste en vijfde lid niet van toepassing zijn op een of meer aangrenzende bouwwerken met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 (bij de lichte industriefunctie en de overige gebruiksfunctie). De uitzondering voor de lichte industriefunctie en de overige gebruiksfunctie geldt alleen voor zover de totale gebruiksoppervlakte niet groter is dan 50 m2. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de gebruiksoppervlakte van het bouwwerk waarin de gebruiksfunctie zelf ligt maar ook naar aangrenzende bouwwerken, ongeacht de gebruiksfunctie van die aangrenzende bouwwerken. Hiermee wordt voorkomen dat zonder meer een berging of een schuurtje tegen de bebouwing op het aangrenzende perceel kan worden geplaatst of dat een oneindig grote reeks bergingen tegen elkaar kan worden geplaatst zonder dat deze in een brandcompartiment liggen. Dit betekent dat wanneer een schuurtje in een rij met een aantal andere schuurtjes staat de totale gebruiksoppervlakte van de rij schuurtjes bepalend is. Ook is hiermee duidelijk dat een berging in een woongebouw in een brandcompartiment moet liggen en dat er altijd een brandscheiding moet zijn tussen de bergingen en het portiek of vluchttrappenhuis. Bij het bepalen van de totale omvang gaat het namelijk om alle bouwwerken (en bouwwerkonderdelen) ongeacht de gebruiksfunctie daarvan, zodat een berging in een woongebouw nooit onder de vrijstelling van het zevende lid kan vallen.
Wordt een schuurtje (buitenberging) opgenomen in een flatgebouw, dan moet dat schuurtje in een brandcompartiment liggen omdat de totale gebruiksoppervlakte van dat flatgebouw groter zal zijn dan 50 m2. Wordt een schuurtje tegen een huis aangebouwd, dan moet dat schuurtje in een brandcompartiment liggen als de gezamenlijke gebruiksoppervlakte groter is dan 50 m2. Als dat zelfde schuurtje bij de woning behoort kan er sprake zijn van een nevengebruiksfunctie zodat het schuurtje in hetzelfde brandcompartiment als die woonfunctie mag liggen (artikel 4.51, vijfde lid). Behoort dat schuurtje niet bij die woning, dan moet het schuurtje in een afzonderlijk brandcompartiment liggen. Het zevende lid doet daarmee geen afbreuk aan artikel 4.51, vijfde lid, dat regelt dat een berging of andere nevengebruiksfunctie in hetzelfde brandcompartiment als deze woning mag liggen. Het is niet nodig om tussen bergruimten onderling een brandscheiding aan te brengen.
Het achtste lid geeft een uitzondering op het eerste en vijfde lid voor een lichte industriefunctie met een beperkte permanente vuurbelasting (van niet meer dan 150 MJ/m2). Deze uitzondering geldt alleen als het bouwwerk bedoeld is voor het telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten. Met vergelijkbare producten wordt gedoeld op uit een gewas voortkomende produkten zoals peulvruchten, granen, vezels, bloembollen en aardappels. Zodoende geldt de uitzonderling bijvoorbeeld niet voor het stallen een of meer voertuigen zoals een landbouwtractor, een aanhangwagen of caravan.
Artikel 4.51 (brandcompartiment: omvang)
Het doel van brandcompartimentering is de ongehinderde uitbreiding van een brand te beperken tot het perceel, het gebouw of een gedeelte daarvan. Dit artikel stelt eisen aan de maximale omvang van een brandcompartiment, zodat een eventuele brand beheersbaar blijft. Wanneer de brand binnen het brandcompartiment blijft, draagt dit bij aan de veiligheid van personen in andere gedeelten van het gebouw of naastgelegen gebouwen.
Een brandcompartiment mag om zijn functie van brandbegrenzer goed te kunnen vervullen niet te groot zijn. Ook kan het zinvol zijn ruimten met een bijzonder brandrisico in een afzonderlijk brandcompartiment op te nemen.
Onder bepaalde omstandigheden kan het toch mogelijk zijn een groter brandcompartiment te realiseren met een beroep op gelijkwaardigheid.
Het eerste lid geeft de basiseis die regelt dat de omvang van een brandcompartiment niet groter mag zijn dan de in tabel 4.49 genoemde gebruiksoppervlakte. Het brandcompartiment mag groter zijn dan de in de tabel genoemde oppervlakte als deze oppervlakte in samenhang met andere factoren, bepaald volgens NEN 6060 of NEN 6079, voorziet in een zelfde brandveiligheid. Met deze aanvulling is invulling gegeven aan de wens van de bouwpraktijk om gelijkwaardige maatregelen waar mogelijk om te zetten in concrete prestatie-eisen.
NEN 6060 geeft een aantal maatregelpakketten waarmee grote brandcompartimenten gelijkwaardige veiligheid hebben ten opzichte van de standaard brandcompartimentering. NEN 6079 geeft een probabilistische rekenmethode waarmee voor een groot brandcompartiment deze gelijkwaardigheid kan worden berekend. Bij toepassing van de bepalingsmethode uit NEN 6060 en NEN 6079 gelden alle voorwaarden en beperkingen uit deze normen. Zo worden beperkingen gesteld aan de aanwezigheid (stapelen) van andere compartimenten op het grote brandcompartiment. Ook zijn de normen niet van toepassing voor alle gebruiksfuncties. Het volledige bouwwerk moet voldoen aan deze normen en niet alleen hetgrote brandcompartiment. Ook geldt bij toepassing van deze normen in de gebruiksfase een toezichtsarrangement (zie hoofdstuk 6).
Nogmaals wordt benadrukt dat naast het toepassen van de NEN 6060 en NEN 6079 nog steeds de mogelijkheid open staat voor een in artikel 1.2 bedoelde gelijkwaardige oplossing. Het gaat om de mogelijkheid om op een andere manier dan door het voldoen aan de in artikel 4.51 bedoelde prestatie-eis, aannemelijk te maken dat de brandveiligheid van een groot brandcompartiment afdoende is geborgd. Bij een gelijkwaardige oplossing is het aan de indiener om te bepalen hoe hij het voor het bevoegd gezag aannemelijk maakt dat zijn oplossing een gelijkwaardige oplossing is.
Als er bij het voldoen aan een functionele eis keuze is uit meer dan een prestatie-eis, zoals in dit artikel met de aanvullende op de normbladen NEN 6060 en 6079 het geval is, dan mag de indiener daarvoor de prestatie-eis met de meest gunstige uitkomst kiezen.
Dit geldt ook bij gelijkwaardigheid. De indiener heeft daarbij de mogelijkheid de prestatie-eis met het voor de situatie meest gunstige uitgangspunt te gebruiken als referentiekader bij het aannemelijk maken dat er sprake is van een gelijkwaardige oplossing.
Het tweede lid geeft aan dat er ten hoogste 4 woonwagens met bijgebouwen (zie voor een toelichting op het begrip nevengebruiksfunctie de artikelsgewijze toelichting op bijlage I) bij elkaar mogen liggen binnen een brandcompartiment, op voorwaarde dat de totale gebruiksoppervlakte in dat brandcompartiment aan woonwagens en bijgebouwen niet groter is dan 1000 m2. Hiermee is het mogelijk om ook grotere woonwagens dan 125 m2 te plaatsen binnen een brandcompartiment. Het maximum van 1.000 m2 past binnen de uitgangspunten van de Handreiking brandveiligheid van woonwagens en woonwagenlocaties, VROM-Inspectie, 15 maart 2009. De onderlinge afstand die hierbij tussen de woonwagens moet worden aangehouden is niet in dit besluit geregeld. De denkbeeldige afstand van 5 m in het vierde lid van artikel 4.54, die in de praktijk soms als onderlinge afstand wordt aangehouden is daar niet voor bedoeld. De in dat artikel genoemde afstand is alleen een rekenwaarde. De daadwerkelijke afstand tussen de woonwagens volgt uit het omgevingsplan. Een clusteromvang van ten hoogste 4 woonwagens biedt voldoende brandveiligheid en laat ruimte om woonwensen in te willigen. Het derde lid bepaalt dat een brandcompartiment zich niet over meer dan een bouwwerkperceel mag uitstrekken. Het is dus niet toegestaan dat een brandcompartiment zich uitstrekt over meer dan één perceel, waarbij moet worden uitgegaan van de in de bouwaanvraag aangegeven perceelindeling. Een brandcompartiment mag zich wel uitstrekken over meer dan een gebouw (een groep gebouwen) mits de gebouwen op hetzelfde perceel liggen.
Aan het vierde lid wordt voor wegtunnels voldaan wanneer elke wegtunnelbuis brandwerend is gescheiden van een andere wegtunnelbuis. Dit betekent dat een andere wegtunnelbuis wel altijd in een ander brandcompartiment moet liggen. Andere ruimten, zoals een technische ruimte of hulppost mogen, voor zover deze niet in een andere wegtunnelbuis liggen, wel in hetzelfde brandcompartiment liggen. Het is dus ook niet uitgesloten dat in hetzelfde brandcompartiment als de tunnelbuis nog andere ruimten liggen.
Het vijfde lid benadrukt dat in een brandcompartiment van een woonfunctie maar één woonfunctie (woning) mag liggen. Verder mogen in dat brandcompartiment alleen gebruiksfuncties van een andere soort liggen als die gebruiksfuncties nevengebruiksfuncties van die ene woonfunctie zijn. In de meeste gevallen zal het alleen om een enkele nevengebruiksfunctie gaan zoals bijvoorbeeld een buitenberging (overige gebruiksfunctie). Het kan ook voorkomen dat er een kantoor aan huis of een andere nevengebruiksfunctie is.
Een gemeenschappelijk verblijfsgebied behoort per definitie aan meer dan een woonfunctie. Uit het zesde lid volgt dat woningen (in een woongebouw) een gemeenschappelijk verblijfsgebied mogen hebben als dit verblijfsgebied in een afzonderlijk brandcompartiment ligt. Bij een woning met een gemeenschappelijk verblijfsgebied, moet gedacht worden aan een woning met bijvoorbeeld met een gemeenschappelijke huiskamer en keuken. De gemeenschappelijke ruimten mogen dus niet binnen het brandcompartiment van een van de woningen liggen. Een gemeenschappelijke ruimte is een ruimte die ten dienste staat van een aantal afzonderlijke woonfuncties. Het gaat in dit lid dus niet om de ruimten binnen een woning die door verschillende bewoners van die woning, bijvoorbeeld een woonfunctie voor kamergewijze verhuur, worden gedeeld. Een ruimte waarop alleen wooneenheden van dezelfde woning zijn aangewezen is niet een gemeenschappelijke maar een gezamenlijke ruimte (zie artikel 2.7).
Het zevende lid moet worden onderscheiden van artikel 4.50, eerste lid, onderdeel d. De in dat lid bedoelde kleinere technische ruimte (ten hoogste 50 m2) hoeft niet in een brandcompartiment te liggen. Als die kleinere ruimte wel in een brandcompartiment ligt dan mag deze samen met andere ruimten in dat brandcompartiment liggen. De in dit zevende lid beschreven grotere technische ruimte (meer dan 50 m2) moet altijd een een afzonderlijk brandcompartiment zijn. Het zevende lid is niet meer aangewezen voor de industriefunctie. In een industriefunctie is in algemeen het brandrisico in een technische ruimte (een ruimte voor een bouwwerkinstallatie) niet groter dan in de andere ruimten die geen technische ruimte heten omdat de daarin opgestelde verbrandingstoestellen of apparatuur niet noodzakelijk zijn voor het functioneren van het bouwwerk. Aan deze voor het proces noodzakelijke apparatuur kunnen vergelijkbare risico's zijn verbonden. Het is niet meer zo dat een of meer verbrandingstoestelen met totale nominale belasting van in totaal meer dan 130 kW in een afzonderlijk brandcompartiment moeten liggen. Huidige CV-installaties zijn meer voorzien van veiligheden waardoor brand niet veel voorkomt. Brand is nu vooral bij de kleine installaties in woningen.
Het achtste lid geeft een uitzondering op het eerste lid voor nevengebruiksfuncties van een industriefunctie. Het gaat dan bijvoorbeeld om een kleine kantine of kantoorruimte die ten dienste staat van die industriefunctie. Uit de tabel blijkt dat de uitzondering geldt voor een bijeenkomstfunctie (kantine of vergaderruimte), een kantoorfunctie, een onderwijsfunctie (leslokaal), een winkelfunctie of een overige gebruiksfunctie. Op grond van het eerste lid mogen die gebruiksfuncties niet in een brandcompartiment liggen dat groter is dan 1.000 m2. Als die gebruiksfuncties ten dienste staan van de industriefunctie dan behoeven die gebruiksfuncties niet in een brandcompartiment van maximaal 1.000 m2 te liggen, maar mogen deze deel uitmaken van het brandcompartiment van de industriefunctie, dat zoals in de tabel is aangegeven maximaal 2.500 m2 mag zijn. De omvang van de nevengebruiksfuncties samen mag dan niet meer dan 100 m2 zijn.
Het negende lid geeft een specifieke regel voor de lichte industriefunctie voor het houden van dieren. Iedere technische ruimte (ook kleiner dan 50 m2) moet in afzonderlijk brandcompartiment liggen. Hiermee is voorkomen dat een brand in een technische ruimte zoals de meterruimte overslaat naar een naastgelegen ruimte waarin dieren aanwezig zijn. Zie bijlage I voor de definitie van een technische ruimte. Daar vloeit onder meer uit voort dat een ruimte voor een melkrobot geen technische ruimte is.
Artikel 4.52 (opvangcompartiment)
Het eerste lid geeft voor de celfunctie een afwijking van het eerste lid. Een brandcompartiment waarin een cel ligt, mag niet groter zijn dan 500 m2 en mag nooit meer dan 77% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw zijn. Aan deze beide regels moet gelijktijdig zijn voldaan. Uit dit lid volgt dat een gebouw met een celfunctie naast het brandcompartiment waarin de cellen liggen altijd een buiten dat brandcompartiment gelegen gebruiksoppervlakte moet hebben. Deze gebruiksoppervlakte is noodzakelijk om de personen, bij brand in het brandcompartiment met cellen, buiten dat brandcompartiment in veiligheid te brengen.
Het tweede lid regelt dat een brandcompartiment met bedgebied voor bedgebonden patiënten niet meer dan 77% van de gebruiksoppervlakte van een bouwlaag mag omvatten. Op die manier kunnen personen, bij brand in het brandcompartiment, zo nodig met bed en al, in een buiten dat brandcompartiment maar wel op dezelfde verdieping gelegen ruimte in veiligheid worden gebracht. Het tweede lid is van belang voor het in veiligheid kunnen brengen van bedgebonden patiënten. Deze moeten bij brand met bed en al verplaatst kunnen worden naar een andere brandcompartiment op dezelfde bouwlaag. Bij niet bedgebonden patiënten in een bedgebied zijn deze voorzieningen niet nodig omdat deze patiënten zelfstandig via de reguliere vluchtroutes naar een veilige plaats kunnen vluchten.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het volgens dit besluit niet verboden is om een lift te gebruiken bij brand. Aan het gebruik van een lift bij brand zijn echter risico's verbonden. In samenspraak met de lokale brandweer kan worden gezocht naar randvoorwaarden om de (brandweer)lift bij brand te kunnen gebruiken voor de evacuatie van verminderd zelfredzamen.
Artikel 4.53 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: niveau van eisen)
Een brandcompartiment kan pas als brandcompartiment functioneren als aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment (in de praktijk ook afgekort tot wbdbo) is voldaan. Brandoverslag betekent in dit verband de uitbreiding van brand via de buitenlucht, terwijl met branddoorslag wordt bedoeld de branduitbreiding door een constructieonderdeel heen. De wbdbo wordt uitgedrukt in minuten.
Het eerste lid stelt een basiseis van 60 minuten wbdbo. Deze eis geldt van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment. Ook geldt deze eis van een brandcompartiment naar een drietal specifieke maar niet in een brandcompartiment gelegen ruimten. Het gaat dan om een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, een liftschacht van een brandweerlift en een niet-besloten veiligheidsvluchtroute. Uit die regel volgt dat bij een veiligheidsvluchtroute een wbdbo van 60 minuten geldt, ongeacht of deze vluchtroute door een besloten of een niet-besloten ruimte voert. Een veiligheidsvluchtroute is per slot van rekening een bijzondere vorm van een extra beschermde vluchtroute (zie bijlage I). Daarbij moet worden opgemerkt dat een galerij van een flatgebouw in de regel geen veiligheidsvluchtroute is maar een extra beschermde vluchtroute.
Uit het eerste lid volgt dat er in het branduitbreidingstraject tussen een brandcompartiment en een andere ruimte, zoals bijvoorbeeld een ander brandcompartiment, een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag moet zijn. Dit geldt ook als er tussen het brandcompartiment en de andere ruimte een ruimte ligt die zelf niet in een brandcompartiment behoeft te liggen. Dit maakt dat het nodig kan zijn ook bij een niet in een brandcompartiment gelegen ruimte een of meer brandwerendescheidingsconstructies te maken. Het is namelijk niet wenselijk dat de brand van het ene brandcompartiment, via de niet in een brandcompartiment gelegen ruimte, in het andere brandcompartiment kan doordringen.
Het tweede lid geeft een uitzondering op het eerste lid voor de wbdbo tussen een brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert. Dit betekent dat er tussen een woning en een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte (corridor of gang in een woongebouw) kan worden volstaan met een wbdbo van 30 minuten.
In het eerste en tweede lid is sprake van een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert. Als sprake is van een niet-besloten ruimte dan gelden deze regels niet. De niet-besloten ruimte moet dan zodanig zijn dat de vluchtroute begaanbaar blijft en dat er geen branduitbreiding via deze ruimte plaatsvindt. Omdat niet-besloten ruimten waardoor een extra beschermde vluchtroute loopt zoals een galerij of een atrium op talloze manieren kunnen worden ontworpen, kan de capaciteit van de benodigde warmte en rookafvoer (wel of niet mechanisch) uit deze ruimten niet met een eenduidige prestatie-eis worden bepaald. Voor de waarden waarbij het vluchten door een ruimte nog mogelijk is, kunnen volgens het rapport ‘Onderzoek niet-besloten ruimten’ (DGMR, dd 10 maart 2015, zie www.rijksoverheid.nl) als veilige waarden worden aangehouden:
- —
2,5 m rookvrij boven het hoogst gelegen deel van een vluchtroute. Als de hoogte boven de vloer van een ruimte kleiner is dan 2,5 m is, geldt een rookvrije hoogte van ten minste 2 m,
- —
stralingsflux onder de rooklaag: niet groter dan 2 kW/m2,
- —
tijdsduur: ten minste de tijd dat de niet-besloten ruimten voor vluchten wordt gebruikt.
In het geval van vluchten door rook, bijvoorbeeld bij een rookvrije hoogte van minder dan 2,5 m respectievelijk minder dan 2 m of bij homogene opmenging (dat wil zeggen dat de rook niet in een laag onder het plafond hangt maar als een soort mist over de ruimte is verdeeld):
- —
de temperatuur niet hoger dan 45 °C, en
- —
de zichtlengte bij lichtgevende voorwerpen ten minste 30 m
In de directe nabijheid van de brand van de uitstroomopening van de brandruimte en van de rookpluim erboven is het acceptabel als niet aan de genoemde criteria wordt voldaan als niet over die locaties hoeft te worden gevlucht.
Verder mag in de niet-besloten ruimte geen brandontwikkeling tot flash-over kunnen optreden. Het rapport ‘Onderzoek niet-besloten ruimten’ (DGMR, dd 10 maart 2015, zie www.rijksoverheid.nl) geeft hiervoor de volgende criteria:
- —
geen rookophoping met een temperatuur hoger dan 200°C (vorming van een rooklaag van 0,5 m dikte of meer), en
- —
tijdsduur: gelijk aan de WBDBO-eis vanuit de aangrenzend ruimte
Ook de inzet van de brandweer in de niet-besloten ruimte moet mogelijk zijn. Het DGMR rapport geeft de volgende waarden als de niet-besloten ruimte door de brandweer wordt gebruikt om een aanval in te zetten op de brand in een direct aangrenzende ruimte:
- —
zichtlengte op ooghoogte ten minste 100 m,
- —
temperatuur op ooghoogte niet hoger dan 60 °C,
- —
straling ten hoogste 3 kW/m2, en
- —
tijdsduur: overeenkomend met de WBDBO vanuit de aangrenzend ruimte.
Het derde lid geldt ook alleen voor woningen. In afwijking van het eerste lid kan daar worden volstaan met een wbdbo van 30 minuten. Voorwaarden hierbij zijn dat de permanente vuurbelasting van het brandcompartiment (over het algemeen de woning) niet groter is dan 500 MJ/m2 en dat in het woongebouw geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau (zie bijlage I). Hieraan zal zijn voldaan bij woningen die hoofdzakelijk zijn opgebouwd uit materialen die niet of nauwelijks kunnen branden, zoals steen of beton.
Het vierde lid geeft een afwijking van het eerste lid voor bijna alle gebruiksfuncties met uitzondering van een woonfunctie, een celfunctie en een gezondheidszorggebouw met bedgebied. Er kan worden volstaan met een wbdbo van 30 minuten als de in het eerste lid bedoelde ruimten op hetzelfde perceel liggen en als het gebouw geen vloeren heeft die hoger liggen dan 5 m boven het meetniveau. Aan beide voorwaarden moet zijn voldaan.
Het vijfde lid geeft aan dat de in het vierde lid bedoelde reductie naar 30 minuten niet van toepassing is bij een brandcompartiment van een industriefunctie als de gebruiksoppervlakte van dat compartiment groter is dan 1000 m2. Bij die grote brandcompartimenten geldt dus 60 minuten.
In het zesde lid is voor stallen bepaald dat het vierde lid niet van toepassing is. Zie hierboven de toelichting bij het negende lid van artikel 4.51
Het zevende lid: De uitzonderingen van het tweede tot en met vierde lid gelden niet voor een ruimte waardoor een veiligheidsvluchtroute voert. Bij die ruimte geldt altijd een wbdbo van ten minste 60 minuten.
Het achtste lid heeft betrekking op de wbdbo tussen afzonderlijke woonwagens. Dit betreft een algemene eis aan woonwagens die geen relatie heeft met de brandcompartimetering bij woonwagens die volgt uit het tweede lid van artikel 4.53 (zie ook de toelichting daarbij). Bij de bepaling van de wbdbo tussen woonwagens wordt niet uitgegaan van de werkelijke afstand tussen woonwagens maar van een theoretische afstand van 5 m als bedoeld in artikel 4.54.
Uit het negende lid volgt een brandwerendheid van 30 minuten tussen een in het tweede lid van artikel 4.51 bedoeld brandcompartiment met een of meer woonwagens en een ander brandcompartiment. Het vaststellen of aan deze 30 minuten is voldaan, is niet eenvoudig omdat hierbij niet alleen moet worden uitgegaan van de brandwerendheid van een afzonderlijke woonwagen, maar van het geheel van de in het compartiment geclusterde woonwagens. Daarom biedt dit achtste lid ook de mogelijkheid om te volstaan met een afstand van 5 meter tussen de twee clusters van woonwagens. Deze afstand zal in het algemeen overeenstemmen met een brandwerendheid van 30 minuten. Een brandwerendheid van 30 minuten kan overigens ook worden bereikt met het plaatsen van een afzonderlijke brandwerende muur tussen twee compartimenten.
Het negende lid van artikel 4.51 regelt dat iedere technische ruimte van een veestal in een afzonderlijk brandcompartiment moet liggen. Hiermee is beoogt dat een brand in een technische ruimte niet eenvoudig uitbreidt naar de stal met dieren. De bescherming van een kleine technische ruimte tegen brand in de stal is niet beoogt. Daarom regelt het tiende lid van voorliggend artikel dat de richting van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag niet geldt vanuit de veestal naar de technische ruimte, terwijl deze eis wel in stand blijft in de richting vanuit de technische ruimte naar de stal met dieren.
Artikel 4.54 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode)
Het eerste lid verwijst voor een bepalingsmethode voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag naar NEN 6068.
Het tweede lid beoogt de bouwende partij niet onevenredig zwaar te belasten door de eventuele slechte kwaliteit van de belending. Daarom moet bij het bouwen ter beperking van het gevaar van brandoverslag altijd rekening worden gehouden met een spiegelsymmetrisch, maar verder identiek gebouw op een naburig perceel. Voor dit denkbeeldige, identieke gebouw moet men uitgaan van een identieke gevel die op dezelfde afstand van de perceelsgrens ligt als de gevel van het te bouwen gebouw Hiermee wordt het mogelijk een omgevingsvergunning aan te vragen zonder dat bekend is wat op het belendende perceel zal worden gerealiseerd. Overigens moet ook wanneer er aan de andere kant van de perceelsgrens al een gebouw staat, ongeacht de kwaliteit van dat gebouw, worden uitgegaan van een spiegelsymmetrisch aan het eigen te bouwen gebouw identiek gebouw. Voor het geval op het belendende perceel geen bouwbestemming rust en ook niet is bestemd voor een speeltuin, kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen of de opslag van brandbare niet milieugevaarlijke stoffen, kan de spiegeling plaatsvinden als ware het perceel gelegen aan openbaar groen. Of op een perceel een bouwbestemming rust volgt uit het omgevingsplan.
In plaats van een maatregel gebaseerd op spiegelsymmetrie en een berekening volgens NEN 6068 kan men ook kiezen voor in de artikel 4.5 van de wet bedoelde gelijkwaardige maatregel. Een gelijkwaardige oplossing zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat men uitgaat van een maximale stralingsflux op de perceelsgrens (zie het Peutz-rapport Spiegelsymmetrie (N1018-3-RA-002) dd 7 september 2011, www.rijksoverheid.nl). NEN 6068 gaat uit van een maximale stralingsflux van 15 kW/m2 op de gevel van het spiegelsymmetrische gebouw. Als men aantoont dat deze 15 kW/m2 op de erfgrens niet wordt overschreden, is dit altijd veiliger en voldoet men aan de eis.
Het derde lid geeft een beperking aan de toepassing van de spiegelsymmetrie. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een brandcompartiment en een spiegelsymmetrische gebouw op een ander perceel is afhankelijk van drie factoren:
- —
De brandwerendheid van de uitwendige scheidingsconstructie van het brandcompartiment van binnen naar buiten.
- —
De afstand tussen de uitwendige scheidingsconstructie van het brandcompartiment en de uitwendige scheidingsconstructie van het spiegelsymmetrische gebouw op een ander perceel.
- —
De brandwerendenheid van de uitwendige scheidingsconstructie van het (spiegelsymmetrische) brandcompartiment van buiten naar binnen.
In veel gevallen zal de afstand tot de perceelsgrens zo groot zijn dat met de tweede factor kan worden volstaan en hoeven de scheidingsconstructies zelf geen bijdrage te leveren aan de brandwerendheid. Als dit niet het geval is, dan regelt het derde lid, dat de derde factor alleen mag worden meegerekend voor zover deze niet groter is dan de eerste factor. Dit voorkomt dat de brandwerendheid volledig wordt neergelegd bij het fictieve spiegelsymmetrische gebouw, waardoor een daadwerkelijk naastgelegen gebouw in de praktijk geen enkele bescherming zou kunnen hebben bij een brand bij de buren. Dit derde lid is een verduidelijking ten opzichte van het Bouwbesluit 2012. Onder het Bouwbesluit 2012 was een discutabele uitleg van de spiegelsymmetrie mogelijk waardoor de brandwerendheid geheel werd gerealiseerd door een brandwerendheid van buiten naar binnen van het fictieve spiegelsymmetrische gebouw. Met het derde lid is deze toepassing van de spiegelsymmetrie niet meer mogelijk.
Ook in het vierde lid, dat betrekking heeft op de wbdbo bij een woonwagen, wordt uitgegaan van de spiegelsymmetrie. Bij de bepaling van de wbdbo tussen woonwagens wordt niet uitgegaan van de werkelijke afstand tussen woonwagens maar van een theoretische afstand van 5 m. Dit maakt het mogelijk de wbdbo van een woonwagen te bepalen zonder dat de uiteindelijke standplaats bekend is. Dit wil dus niet zeggen dat de woonwagens daadwerkelijk op deze afstand moeten worden geplaatst. De uiteindelijke plaatsing wordt bepaald op basis van het omgevingsplan, waarbij rekening moet worden gehouden met het gestelde in artikel 4.51, tweede lid, van dit besluit.
Artikel 4.55 (tijdelijk bouwwerk)
Op een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.50 tot en met 4.52 onverkort van toepassing. Artikel 4.53 is van overeenkomstige toepassing, waarbij in alle gevallen met een wbdbo van ten minste 30 minuten kan worden volstaan. Dit is een afwijking (verzwaring) van de in artikel 4.8 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de regels voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn. Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.