Einde inhoudsopgave
Sanctieregeling Iran 2012
Artikel 3
Geldend
Geldend vanaf 06-03-2026
- Bronpublicatie:
26-02-2026, Stcrt. 2026, 8587 (uitgifte: 05-03-2026, regelingnummer: BZ2625435)
- Inwerkingtreding
06-03-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
26-02-2026, Stcrt. 2026, 8587 (uitgifte: 05-03-2026, regelingnummer: BZ2625435)
- Vakgebied(en)
Openbare orde en veiligheid / Bijzondere onderwerpen
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Internationaal publiekrecht / Bijzondere onderwerpen
1.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, tweede, vijfde en zesde lid, artikel 7, eerste lid, artikel 10, eerste en tweede lid, artikel 37, derde lid, en artikel 37 ter, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
2.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking of de Minister van Financiën, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken.
2a.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 12, eerste lid, en artikel 14, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Economische Zaken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 43 bis, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Klimaat en Groene Groei.
2b.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 18, eerste en tweede lid, artikel 20 en artikel 21 van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Financiën of de Minister van Economische Zaken, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken.
2c.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 19, eerste lid, en artikel 39 van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Financiën, de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Zaken of de Minister of de Minister van Economische Zaken, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken.
3.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 24 tot en met 28 bis, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking wat betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen en de Minister van Financiën wat betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 29, eerste lid, artikel 30, derde en vijfde lid, artikel 30 bis, eerste en derde lid, artikel 30 ter, eerste en derde lid, en artikel 31, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Financiën. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 30, zesde lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Financial Intelligence Unit – Nederland.
4.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 29 van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Financiën.
5.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 37, derde lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking of de inspecteur, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onder c, van de Algemene Douanewet, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken.
6.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is, afhankelijk van de aard van de informatie, de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, de inspecteur, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onder c, van de Algemene Douanewet, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel de Minister van Financiën, met dien verstande dat instellingen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a, c, e tot en met j en, voor zover het een bank of elektronischgeldinstelling betreft die cryptoactivadiensten aanbiedt, l, van de Sanctiewet 1977 de informatie, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012 verstrekken aan De Nederlandsche Bank en instellingen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder b, d, k en, voor zover het een andere instelling betreft dan een bank of elektronischgeldinstelling die cryptoactivadiensten aanbiedt, l, van de Sanctiewet 1977 de informatie, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012 verstrekken aan de Autoriteit Financiële Markten. De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten zijn ten behoeve van de uitvoering van voornoemd artikel 40 bevoegd de ontvangen informatie aan de Minister van Financiën te verstrekken.
7.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 1 bis, tweede lid, en artikel 1 ter, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 359/2011, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, en de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 1 quater, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 359/2011, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking of de inspecteur, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onder c, van de Algemene Douanewet, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken.
8.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 6, tweede lid, en artikel 7 van Verordening (EU) nr. 359/2011 is, wat betreft de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden de Minister van Financiën.
9.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, en artikel 7 van Verordening (EU) nr. 359/2011 is, wat betreft de beschikbaarstelling van economische middelen de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
10.
De bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 7 bis, tweede en derde lid, en artikel 9, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 359/2011 zijn, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekt:
- —
de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;
- —
de Minister van Financiën.
11.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 2, derde, vierde en vijfde lid, artikel 3 bis, artikel 3 ter, artikel 3 quater, artikel 3 sexies, tweede en derde lid, en artikel 5, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2023/1529, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor zover het betreft een goederentransactie, een transactie met betrekking tot technische bijstand of tussenhandeldiensten, informatie of kennisgevingen over deze onderwerpen.
12.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 2, derde en vierde lid, artikel 3 bis, artikel 3 ter, artikel 3 quater, artikel 3 quinquies, eerste lid, artikel 3 sexies, tweede en derde lid, en artikel 5, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2023/1529, is de Minister van Financiën voor zover het betreft financieringen, financiële bijstand, financiële diensten of transacties en informatie of kennisgevingen over deze onderwerpen, met dien verstande dat instellingen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a, c, e tot en met j en, voor zover het een bank of elektronischgeldinstelling betreft die cryptoactivadiensten aanbiedt, l, van de Sanctiewet 1977 de informatie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2023/1529 verstrekken aan De Nederlandsche Bank en instellingen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder b, d, k en, voor zover het een andere instelling betreft dan een bank of elektronischgeldinstelling die cryptoactivadiensten aanbiedt, l, van de Sanctiewet 1977 de informatie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2023/1529 verstrekken aan de Autoriteit Financiële Markten. De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten zijn ten behoeve van de uitvoering van voornoemd artikel 5 bevoegd de ontvangen informatie aan de Minister van Financiën te verstrekken.
12a.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 quater bis, eerste lid, is de Minister van Financiën of de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 quater bis, tweede lid, is de Minister van Financiën of de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 septies, tweede lid, is, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp of de Minister van Financiën.
13.
De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2023/1529, is de Minister van Financiën voor zover het betreft tegoeden, de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor zover het betreft vastgoed, inclusief bedrijfspanden, de Minister van Economische Zaken en Klimaat voor zover het betreft niet-beursgenoteerde ondernemingen, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor zover het betreft kunst- en cultuurobjecten en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor zover het betreft vaar- en luchtvaartuigen.