Einde inhoudsopgave
Richtlijn (EU) 2021/555 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens
Artikel 16
Geldend
Geldend vanaf 26-04-2021
- Bronpublicatie:
24-03-2021, PbEU 2021, L 115 (uitgifte: 06-04-2021, regelingnummer: 2021/555)
- Inwerkingtreding
26-04-2021
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
24-03-2021, PbEU 2021, L 115 (uitgifte: 06-04-2021, regelingnummer: 2021/555)
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Wapens en munitie
EU-recht / Bijzondere onderwerpen
1.
Onverminderd artikel 17 mogen vuurwapens slechts van de ene lidstaat naar een andere worden overgebracht indien de in dit artikel omschreven procedure wordt gevolgd. Die procedure is ook van toepassing op de overbrenging van vuurwapens na verkoop middels een overeenkomst op afstand als gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van Richtlijn 2011/83/EU.
2.
Indien een vuurwapen naar een andere lidstaat moet worden overgebracht, verstrekt de betrokkene vóór de overbrenging daarvan de volgende gegevens aan de lidstaat waar dat vuurwapen zich bevindt:
- a)
naam en adres van de verkoper of overdrager en van de koper of verwerver of, in voorkomend geval, van de eigenaar;
- b)
het adres waarnaar het vuurwapen zal worden verzonden of vervoerd;
- c)
het aantal vuurwapens dat van de zending of het vervoer deel uitmaakt;
- d)
de identificatiegegevens betreffende het te identificeren vuurwapen alsook de vermelding dat het vuurwapen is gecontroleerd overeenkomstig het Verdrag van 1969;
- e)
de wijze van overbrenging;
- f)
de datum van vertrek en de vermoedelijke datum van aankomst.
Bij overbrenging tussen wapenhandelaars hoeft de onder e) en f) bedoelde informatie niet te worden meegedeeld.
De lidstaat onderzoekt onder welke omstandigheden de overbrenging van het vuurwapen zal geschieden, met name met het oog op de veiligheid.
Indien de lidstaat deze overbrenging toestaat, verleent hij daarvoor een vergunning waarin alle in de eerste alinea genoemde gegevens zijn vermeld. Deze vergunning dient het vuurwapen tot aan de bestemming te vergezellen en dient op elk verzoek van de autoriteiten van de lidstaten te worden overgelegd.
3.
Behalve voor oorlogswapens kan elke lidstaat voor de overbrenging van op grond van artikel 2, lid 2, uit de werkingssfeer van deze richtlijn uitgesloten vuurwapens aan wapenhandelaars het recht toekennen om, zonder voorafgaande vergunning in de zin van lid 2 van dit artikel, vuurwapens van zijn grondgebied naar een in een andere lidstaat gevestigde wapenhandelaar over te brengen. Hij geeft daartoe een machtiging af die hoogstens drie jaar geldig blijft en te allen tijde bij met redenen omkleed besluit kan worden geschorst of ingetrokken. De vuurwapens moeten tot de bestemming vergezeld blijven van een document waarin die machtiging wordt vermeld. Dat document moet op verzoek van de autoriteiten van de lidstaten worden voorgelegd.
Voorafgaand aan de datum van overbrenging stelt de wapenhandelaar de autoriteiten van de lidstaat van waaruit de overbrenging zal geschieden, in kennis van alle in de eerste alinea van lid 2 vermelde gegevens. Die autoriteiten voeren, waar passend ter plaatse, inspecties uit om te controleren of de door de wapenhandelaar verstrekte informatie overeenkomt met de feitelijke kenmerken van de overbrenging. De gegevens worden door de wapenhandelaar tijdig meegedeeld.
4.
Elke lidstaat verstrekt de andere lidstaten een lijst van vuurwapens waarvoor de vergunning om deze naar zijn grondgebied over te brengen, zonder zijn voorafgaande toestemming mag worden verleend.
Deze lijsten met vuurwapens worden meegedeeld aan de wapenhandelaars die in het kader van de procedure van lid 3 een machtiging hebben verkregen om vuurwapens zonder voorafgaande toestemming over te brengen.