Einde inhoudsopgave
Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie
Artikel 50 [Kamers, samenstelling, voltallige/enkelvoudige]
Geldend
Geldend vanaf 01-09-2024
- Redactionele toelichting
1. Verzoeken om een prejudiciële beslissing die zijn ingediend op grond van art. 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aanhangig zijn bij het Hof van Justitie op de eerste dag van de maand volgend op de datum van inwerkingtreding van deze verordening worden behandeld door het Hof van Justitie. 2. Hogere voorzieningen tegen beslissingen van het Gerecht over een besluit van een kamer van beroep van een van de in art. 58 bis, eerste alinea, punten e) tot en met j), genoemde organen of instanties van de Unie en tegen in art. 58 bis, tweede alinea, punt b) bedoelde besluiten, die bij het Hof aanhangig zijn op de datum van de inwerkingtreding van deze verordening, vallen niet onder het mechanisme voor voorafgaande toelating van hogere voorzieningen.
- Bronpublicatie:
11-04-2024, PbEU L 2024, 2024/2019 (uitgifte: 12-08-2024, regelingnummer: 2024/2019)
- Inwerkingtreding
01-09-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
11-04-2024, PbEU L 2024, 2024/2019 (uitgifte: 12-08-2024, regelingnummer: 2024/2019)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Het Gerecht houdt zitting in kamers bestaande uit drie of vijf rechters. De rechters kiezen uit hun midden de kamerpresident. De presidenten van de kamers van vijf rechters worden voor drie jaar gekozen. Zij zijn eenmaal herbenoembaar.
Het Gerecht kan ook zitting houden in Grote kamer, in een kamer die het midden houdt tussen de kamers van vijf rechters en de Grote kamer, of in enkelvoudige kamer.
Het Reglement voor de procesvoering regelt de samenstelling van de kamers en bepaalt de omstandigheden en voorwaarden waaronder het Gerecht zitting houdt in de verschillende rechtsprekende formaties.
Het Gerecht houdt, wanneer de zaak overeenkomstig artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aanhangig is gemaakt, zitting in Middelgrote kamer indien een lidstaat of een instelling van de Unie die partij is bij het geding daar om verzoekt.