Einde inhoudsopgave
Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Artikel 18 Het standaardtarief
Geldend
Geldend vanaf 01-07-2023
- Bronpublicatie:
19-06-2023, Stcrt. 2023, 17726 (uitgifte: 30-06-2023, regelingnummer: 2023-0000327780)
- Inwerkingtreding
01-07-2023
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
19-06-2023, Stcrt. 2023, 17726 (uitgifte: 30-06-2023, regelingnummer: 2023-0000327780)
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Ambtenarenrecht / Bijzondere onderwerpen
Internationaal privaatrecht / Bijzondere onderwerpen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Verzekeringen
Personen- en familierecht / Huwelijk, relaties en echtscheiding
Arbeidsrecht / Bijzondere onderwerpen arbeidsrecht
Verzekeringsrecht / Pensioenrecht
1.
Bij de vaststelling van het standaardtarief, bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt uitgegaan van de periodetafel GBM/V 2010–2015 met de volgende leeftijdterugstellingen:
- a.
5 jaar voor mannelijke deelnemers;
- b.
3 jaar voor vrouwelijke deelnemers;
- c.
1 jaar voor de vrouwelijke partner van mannelijke deelnemers; en
- d.
3 jaar voor de mannelijke partner van vrouwelijke deelnemers.
2.
De berekening van het standaardtarief geschiedt op basis van algemeen gebruikelijke actuariële formules. Uitgegaan wordt daarbij van netto tarieven en een marktconforme disconteringsvoet.
3.
De in het tweede lid bedoelde disconteringsvoet is de op 1 oktober geldende rente uit de door De Nederlandsche Bank gepubliceerde rentetermijnstructuur voor verplichtingen met een looptijd van 25 jaar. De vastgestelde rente geldt voor de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar.
4.
Bij de bepaling van koopsommen voor lijfrenten, overlevingsrenten en erfrenten wordt de continue rente gebruikt.
5.
Voor koopsommen van uitkeringen bij overlijden wordt uitgegaan van overlijden halverwege het jaar.
6.
Voor de berekening van het partnerpensioen wordt de gehuwdheidsfrequentie op 1 gesteld op de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van een pensioenregeling aanvangt.
7.
Voor het ouderdomspensioen en het partnerpensioen dat is opgebouwd vóór 1 januari 2002, dan wel 1 januari 2006, indien sprake is van perioden van opbouw op grond van een beroepspensioenregeling, wordt uitgegaan van de gehuwdheidsfrequenties, opgenomen in artikel 1 van bijlage 2. Mannen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar jongere partner, vrouwen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar oudere partner.
8.
De contantewaardefactoren worden gebaseerd op de pensioenleeftijd en het verschil tussen de pensioendatum en de overdrachtsdatum in jaren en maanden die de overdragende uitvoerder hanteert.