Einde inhoudsopgave
Besluit bouwwerken leefomgeving - Nota van toelichting
§ 4.3.2 Bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Algemeen
In deze paragraaf zijn regels opgenomen om te voorkomen dat bouwwerkinstallaties geluidhinder veroorzaken in belendende gebouwen. Voorts zijn voor de woonfunctie, de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang en de onderwijsfunctie eisen opgenomen ter voorkoming van geluidoverlast van de eigen bouwwerkinstallaties. Dit is vooral van belang omdat er vanwege energiezuinigheid en de kwaliteit van het binnenmilieu men steeds meer afhankelijk wordt van installaties. Geluidoverlast van die installaties kan de gezondheid schaden, hetzij door het geluid zelf, hetzij doordat men de installatie uitschakelt om de geluidhinder te beperken.
Artikel 4.106 (aansturingsartikel)
De functionele eis van het eerste lid, geeft aan dat een bouwwerk bescherming moet bieden tegen geluid van bouwwerkinstallaties. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor alle gebruiksfuncties gelden regels, waarmee de functionele eis ook op alle gebruiksfuncties van toepassing is. In artikel 4.106 wordt gesteld dat een bouwwerk bescherming biedt tegen geluid van bouwwerkinstallaties. De term bouwwerk omvat alle onderdelen van het bouwwerk, inclusief de bouwwerkinstallaties. Dat wil zeggen dat de eisen van deze paragraaf ook beperkingen stellen aan een buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk gelegen bouwwerkinstallatie of onderdeel daarvan.
Het voorkomen van overlast door gebouwinstallaties geldt zowel voor geluidoverlast op een aangrenzend bouwwerk perceel (artikel 4.107) als voor geluidoverlast op het zelfde perceel (artikel 4.108). In de artikelen 4.107 en 4.108 gaat het daarbij om geluidsoverlast ín bouwwerken (in verblijfsgebieden of verblijfsruimten). Voor de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat eventuele bepalingen in de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt voorzien.
Over geluidoverlast van bouwwerkinstallaties binnen een bouwwerk of tussen bouwwerken kunnen daarom geen nadere of aanvullende bepalingen worden opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Wel kunnen in een APV eventueel bepalingen over geluid in de buitenruimte (maar geen bouwwerk) worden opgenomen op basis waarvan de gemeente handhavend kan optreden.
Artikel 4.107 (aangrenzend bouwwerkperceel)
Dit artikel heeft als doel geluidhinder voor de buren te beperken. Hierbij kan gedacht worden aan overlast bij het doortrekken van het toilet of door het gebruik van de lift. Die regel is zowel van toepassing op niet-gemeenschappelijke (individuele) als op gemeenschappelijke installaties. Deze regels zijn nodig omdat mensen eerder last hebben van geluiden van buiten de eigen woning, hotelkamer, kantoor en dergelijke dan van geluiden van binnen de eigen woning en dergelijke. Bovendien kan men niet of nauwelijks invloed uitoefenen op geluid dat van derden komt. Het karakteristieke installatiegeluidsniveau wordt bepaald volgens NEN 5077 en mag niet meer zijn dan 30 dB.
Artikel 4.108 (zelfde bouwwerkperceel)
Dit artikel regelt de beperking van overlast van installaties voor op het zelfde perceel gelegen gebruiksfuncties.
Het eerste lid is gericht op het voorkomen van geluidoverlast binnen een woning (niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte van een woonfunctie). Het gaat dan om geluidoverlast veroorzaakt door een installatie van een aangrenzende woning of een andere op hetzelfde perceel gelegen gebruiksfunctie. Het zelfde geldt ook voor een gemeenschappelijke installatie (bijvoorbeeld een liftinstallatie). Een gemeenschappelijke installatie zal in geen enkele woning geluidoverlast mogen geven.
Het tweede lid heeft betrekking op het voorkomen van geluidoverlast door de eigen bouwwerkinstallaties. Die regel geldt alleen voor de woonfunctie, de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang en de onderwijsfunctie. Het toegestane karakteristieke installatie-geluidsniveau is af te lezen in tabel 4.106. Aanleiding voor het opnemen van die regel zijn de regelmatige klachten over de geluidoverlast door mechanische ventilatiesystemen in met name woningen, scholen en kinderdagverblijven. Die systemen (wel of niet met warmterugwinning) worden steeds meer gebruikt om aan de energieprestatie-eis (zie § 4.4.1) te kunnen voldoen. Om te voorkomen dat men een voor een gezond binnenmilieu noodzakelijke installatie wegens geluidoverlast uitschakelt is een maximum gesteld aan de geluidsproductie van installaties voor warmteopwekking, warmteterugwinning en luchtverversing. Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke installatiegeluidsniveau in een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte is voor de hiervoor genoemde installaties samen ten hoogste 30 of 35 dB (zie tabel). Dit geldt zowel wanneer er sprake is van een gecombineerd systeem als voor afzonderlijke apparaten.
Opgemerkt wordt dat bij de berekening van het karakteristieke installatiegeluidsniveau wordt uitgegaan van het niveau dat optreedt in de hoogste stand van het voorgeschreven regelbereik van die installatie (dit is de voorgeschreven ventilatiecapaciteit als bedoeld in artikel 4.122). De geluidseisen zijn in beide leden van dit artikel gekoppeld aan verblijfsruimten. Hiermee is het maximum installatie-geluidsniveau van een mechanische voorziening voor luchtverversing, warmteopwekking of warmteterugwinning in alle gevallen voldoende gewaarborgd voor verblijfsruimten.
Artikel 4.109 (tijdelijk bouwwerk)
Bij een tijdelijk bouwwerk zijn de artikelen 4.107 en 4.108 van overeenkomstige toepassing, waarbij het niveau van eisen bij een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar,10 dB lager is. Dit betekent dat het installatie-geluidsniveau 10 dB hoger mag zijn dan in die artikelen als hoogste waarde is aangegeven, ofwel de installatie mag nog meer geluid produceren. Dit betekent dat bij het bouwen van een tijdelijk bouwwerk de installatie aan de regels van deze paragraaf moet voldoen, maar dat de geluidbelasting van tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar, 10 dB hoger mag zijn.
Voor een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn tussen de 10 en 15 jaar, geldt dat de artikelen 4.107 en 4.108 van overeenkomstige toepassing zijn en er dus geen sprake is van een lager niveau van eisen ten opzichte van reguliere nieuwbouw. Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8. Onder verwijzing naar de definitie van tijdelijk bouwwerk in bijlage I, wordt er op gewezen dat een tijdelijk bouwwerk ten hoogste een instandhoudingstermijn van 15 jaar (op dezelfde locatie) kan hebben.