Einde inhoudsopgave
Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting
Artikel 2
Geldend
Geldend vanaf 01-04-2025
- Bronpublicatie:
25-08-2023, Stb. 2023, 294 (uitgifte: 14-09-2023, kamerstukken: 35870)
- Inwerkingtreding
01-04-2025
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
27-11-2024, Stb. 2024, 325 jo Stb. 2024, 373 (uitgifte: 03-12-2024, kamerstukken/regelingnummer: -)
23-10-2024, Stb. 2024, 325 jo Stb. 2024, 373 (uitgifte: 05-11-2024, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Overige regelgevende instantie(s)
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht / Afstamming en adoptie
Gezondheidsrecht / Medische ethiek
Privacy / Verwerking persoonsgegevens
1.
De verrichter is ter zake van een kunstmatige donorbevruchting verplicht om binnen een door het College bij reglement te bepalen termijn de volgende gegevens aan het College te verstrekken:
- a.
de donorcode van de donor van wiens zaadcellen of eicellen de verrichter gebruik heeft gemaakt, en
- b.
de volgende gegevens van de donor: fysieke kenmerken, opleiding en beroep, alsmede gegevens omtrent de sociale achtergrond en een aantal persoonlijke kenmerken, een en ander zoals bij algemene maatregel van bestuur nader bepaald.
2.
De verrichter is tevens verplicht om binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, de volgende gegevens aan het College te verstrekken:
- a.
de geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum, woonplaats van de vrouw bij wie kunstmatige donorbevruchting heeft plaatsgevonden, alsmede het burgerservicenummer, tenzij aan de vrouw geen burgerservicenummer is toegekend krachtens de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, of de reeds aan deze vrouw toegekende moedercode die gekoppeld is aan de donorcode van de donor, bedoeld in het eerste lid. In de situatie, bedoeld in artikel 1a, tweede lid, dient de verrichter zowel de persoonsidentificerende gegevens van de behandelde vrouw als de gebruikte reeds toegekende moedercode te verstrekken,
- b.
het tijdstip waarop de donorbevruchting heeft plaatsgevonden, en
- c.
de aantekening of de identiteit van de donor, bedoeld in het eerste lid, bekend is aan de vrouw.
3.
De gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, mogen afzonderlijk of in combinatie niet herleidbaar zijn tot de individuele donor.
4.
De verplichtingen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, gelden niet of vervallen, zodra komt vast te staan dat de bevruchting niet tot de geboorte van een kind heeft geleid, tenzij de terbeschikkingstelling van de betreffende gegevens voor het College noodzakelijk is ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 3a.