Einde inhoudsopgave
Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie
Artikel 26 Wederzijdse rechtshulp
Geldend
Geldend vanaf 01-07-2002
- Bronpublicatie:
27-01-1999, Trb. 2000, 130 (uitgifte: 30-10-2000, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
01-07-2002
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
24-06-2002, Trb. 2002, 109 (uitgifte: 01-01-2002, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht / Bijzondere onderwerpen
1.
De Partijen verlenen elkaar in zo ruim mogelijke mate rechtshulp door verzoeken afkomstig van autoriteiten die krachtens hun nationale wetgeving bevoegd zijn tot het opsporen of vervolgen van de strafbare feiten die vallen binnen de werkingssfeer van dit Verdrag onverwijld te behandelen.
2.
Rechtshulp in de zin van het eerste lid van dit artikel kan worden geweigerd indien de aangezochte Partij van mening is dat het voldoen aan het verzoek mee zou kunnen leiden tot aantasting van haar fundamentele belangen, de nationale soevereiniteit, aan de nationale veiligheid of de openbare orde.
3.
De Partijen kunnen niet met een beroep op het bankgeheim weigeren om krachtens dit hoofdstuk samen te werken. Wanneer haar interne recht het vereist, kan een Partij eisen dat een verzoek om samenwerking dat de opheffing van het bankgeheim zou inhouden, aan de goedkeuring wordt onderworpen van ofwel een rechter, ofwel een andere rechterlijke autoriteit, met inbegrip van het openbaar ministerie, welke autoriteit optreedt inzake strafbare feiten.