Einde inhoudsopgave
Verordening (EU) 2024/590 betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1005/2009
Artikel 6 Grondstoffen
Geldend
Geldend vanaf 12-03-2024
- Bronpublicatie:
07-02-2024, PbEU L 2024, 2024/590 (uitgifte: 20-02-2024, regelingnummer: 2024/590)
- Inwerkingtreding
12-03-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
07-02-2024, PbEU L 2024, 2024/590 (uitgifte: 20-02-2024, regelingnummer: 2024/590)
- Vakgebied(en)
Milieurecht / Lucht
Milieurecht / Milieugevaarlijke stoffen
Milieurecht (V)
1.
2.
De Commissie stelt indien passend overeenkomstig artikel 29 gedelegeerde handelingen vast om deze verordening aan te vullen door een lijst op te stellen van chemische productieprocessen waarvoor het gebruik van de in bijlage I opgenomen ozonafbrekende stoffen als grondstof verboden is op basis van de technische beoordelingen die in het kader van het protocol worden uitgevoerd, met name de vierjaarlijkse verslagen die door de beoordelingsgroepen in het kader van het protocol worden opgesteld en die beoordelingen omvatten van beschikbare alternatieven voor het bestaande gebruik als grondstof en van de emissieniveaus van het bestaande gebruik als grondstof.
3.
In afwijking van lid 2, indien er geen in het kader van het protocol uitgevoerde technische beoordelingen beschikbaar zijn van beschikbare alternatieven voor het bestaande gebruik als grondstof en van de emissieniveaus van het bestaande gebruik als grondstof die een toereikende basis vormen voor het nemen van een besluit over het verbieden van een gebruik als grondstof, maakt de Commissie uiterlijk op 31 december 2027 haar eigen beoordeling op basis van wetenschappelijke aanbevelingen over het bestaande gebruik als grondstof, de effecten in termen van ozonafbrekend vermogen (ozone-depleting potential — ODP) en de beschikbaarheid van nauwkeurigere gegevens over de broeikasgasemissies van grondstoffen, technologische ontwikkelingen die leiden tot de beschikbaarheid van technisch haalbare alternatieven, alsook het energieverbruik, de efficiëntie, de economische haalbaarheid en de kosten van die alternatieven, en stelt zij, indien passend, op basis van die beoordeling de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handelingen vast.
4.
De op grond van lid 2 opgestelde lijst kan, indien nodig, worden bijgewerkt in het licht van de bevindingen van de vierjaarlijkse verslagen die door de beoordelingsgroepen in het kader van het protocol worden opgesteld, of van de eigen beoordelingen van de Commissie.