Einde inhoudsopgave
Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA)
Artikel 50 Handhaving in de lidstaten
Geldend
Geldend van 17-07-2014 tot 22-05-2026
- Redactionele toelichting
Wordt toegepast vanaf 01-01-2016.
- Bronpublicatie:
15-05-2014, PbEU 2014, L 189 (uitgifte: 27-06-2014, regelingnummer: 660/2014)
- Inwerkingtreding
17-07-2014
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
15-05-2014, PbEU 2014, L 189 (uitgifte: 27-06-2014, regelingnummer: 660/2014)
- Vakgebied(en)
Milieurecht / Afval
1.
De lidstaten bepalen de voorschriften inzake sancties op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat zij worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de nationale wetgeving met betrekking tot het voorkomen en opsporen van illegale overbrengingen en van de sancties voor dergelijke overbrengingen.
2.
De lidstaten voorzien met het oog op de handhaving van deze verordening onder meer in controles van inrichtingen, ondernemingen, makelaars en handelaars overeenkomstig artikel 34 van Richtlijn 2008/98/EG, alsmede in controles van overbrengingen van afvalstoffen en van de daaraan gerelateerde nuttige toepassing of verwijdering.
2 bis.
De lidstaten zorgen er uiterlijk 1 januari 2017 voor dat voor hun volledige geografische grondgebied, hetzij afzonderlijk, hetzij als duidelijk afgebakend onderdeel van andere plannen, een of meer plannen worden opgesteld voor de controles die conform lid 2 worden uitgevoerd (‘controleplan’). Controleplannen zijn gebaseerd op risicobeoordelingen van specifieke afvalstromen en bronnen van illegale overbrengingen waarbij, voor zover beschikbaar en indien daar aanleiding voor is, rekening wordt gehouden met informatie uit inlichtingenwerk, zoals gegevens uit politie- en douaneonderzoeken en analyses van criminele activiteiten. Die risicobeoordeling dient onder meer om het minimaal vereiste aantal controles vast te stellen, met inbegrip van fysieke controles van inrichtingen, ondernemingen, makelaars, handelaars en overbrengingen van afvalstoffen, of van de daarmee verband houdende nuttige toepassing of verwijdering. Een controleplan bevat de volgende elementen:
- a)
de doelstellingen en prioriteiten van de controles, met een beschrijving van de wijze waarop die prioriteiten zijn vastgesteld;
- b)
het geografisch gebied waarop dat controleplan betrekking heeft;
- c)
informatie over geplande controles, met inbegrip van fysieke controles;
- d)
de taken die aan iedere controlerende autoriteit worden toegewezen;
- e)
de regelingen voor samenwerking tussen de controlerende autoriteiten;
- f)
informatie over de opleiding van controleurs in verband met controles, en
- g)
informatie over de personele, financiële en andere middelen voor de uitvoering van dat controleplan.
Een controleplan wordt ten minste om de drie jaar geëvalueerd en wordt, waar nodig, geactualiseerd. Geëvalueerd wordt in welke mate de doelstellingen en andere onderdelen van dat controleplan zijn uitgevoerd.
3.
Controles van overbrengingen kunnen in het bijzonder plaatsvinden:
- a)
op de plaats van verzending, uitgevoerd met de producent, houder of kennisgever;
- b)
op de plaats van bestemming, met inbegrip van de voorlopige of niet-voorlopige nuttige toepassing of verwijdering, uitgevoerd met de ontvanger of de inrichting;
- c)
aan de buitengrenzen van de Unie, en/of
- d)
tijdens de overbrenging binnen de Unie.
4.
De controles van overbrengingen behelzen verificatie van documenten, bevestiging van de aard van de afvalstoffen en, indien daar aanleiding voor is, fysieke controle van de afvalstoffen.
4 bis.
Om na te gaan of over de weg, via het spoor, door de lucht, over zee of via de binnenwateren verplaatste stoffen of voorwerpen al dan niet afvalstoffen zijn, kunnen de controlerende autoriteiten, onverminderd het bepaalde in Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad (1), verlangen dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het bezit is van die stoffen of voorwerpen, of die de verplaatsing regelt, bewijsstukken verstrekt:
- a)
omtrent de herkomst en de bestemming van die stoffen of voorwerpen, en
- b)
waaruit blijkt dat het niet om afvalstoffen gaat, met inbegrip, waar nodig, van bewijs van de functionaliteit.
Voor de toepassing van de eerste alinea moet ook worden nagegaan of de betrokken stoffen of voorwerpen beschermd zijn tegen beschadiging tijdens het transport en het in- en uitladen, bijvoorbeeld door passende verpakking en adequate stapeling van de lading.
4 ter.
De controlerende autoriteiten kunnen concluderen dat een stof of voorwerp een afvalstof is, indien:
- —
de bewijsstukken bedoeld in lid 4 bis of vereist op grond van andere Uniewetgeving om na te gaan of een bepaalde stof of voorwerp geen afvalstof is, niet binnen de door hen gestelde termijn zijn verstrekt, of
- —
zij van mening zijn dat de bewijsstukken en de informatie waarover die autoriteiten beschikken, ontoereikend zijn om tot een conclusie te kunnen komen, of zij van mening zijn dat de bescherming tegen beschadiging, bedoeld in lid 4 bis, tweede alinea, ontoereikend is.
In dergelijke omstandigheden wordt het verplaatsen van de betrokken stof of het betrokken voorwerp, of de overbrenging van de betrokken afvalstoffen door die autoriteiten als een illegale overbrenging beschouwd. Bijgevolg zijn de artikelen 24 en 25 daarop van toepassing, en brengen de controlerende autoriteiten onverwijld de bevoegde autoriteit van het land waar de betrokken controle heeft plaatsgevonden, dienovereenkomstig op de hoogte.
4 quater.
Om na te gaan of een overbrenging van afvalstoffen aan deze verordening voldoet, kunnen de controlerende autoriteiten van de kennisgever, de persoon die de overbrenging regelt, de houder, de vervoerder, de ontvanger en de inrichting die de afvalstoffen ontvangt, verlangen dat zij binnen een door hen te stellen termijn de ter zake dienende bewijsstukken verstrekken.
Met name om na te gaan of een overbrenging van afvalstoffen waarvoor de algemene informatieverplichtingen van artikel 18 gelden, bestemd is voor nuttige toepassingen die in overeenstemming zijn met artikel 49, kunnen de controlerende autoriteiten van de persoon die de overbrenging regelt, verlangen dat hij de relevante bewijsstukken overlegt die door de inrichting voor voorlopige of niet-voorlopige nuttige toepassing zijn verstrekt en indien nodig door de bevoegde autoriteit van bestemming zijn goedgekeurd.
4 quinquies.
Wanneer de in lid 4 quater bedoelde bewijsstukken niet zijn verstrekt aan de controlerende autoriteiten binnen de door hen gestelde termijn, of de bewijsstukken en de informatie waarover die autoriteiten beschikken, ontoereikend worden geacht om tot een conclusie te kunnen komen, wordt de betreffende overbrenging als een illegale overbrenging beschouwd. Bijgevolg zijn de artikelen 24 en 25 van deze verordening daarop van toepassing, en brengen de controlerende autoriteiten onverwijld de bevoegde autoriteit van het land waar de controle heeft plaatsgevonden dienovereenkomstig op de hoogte.
4 sexies.
De Commissie stelt uiterlijk 18 juli 2015, door middel van uitvoeringshandelingen een voorlopige concordantietabel vast voor de codes van de gecombineerde nomenclatuur, neergelegd in Verordening (EEG) nr. 2658/87(2), en de vermeldingen van afvalstoffen vermeld in de lijst van de bijlagen III, IIIA, IIIB, IV en V bij deze verordening. De Commissie houdt die concordantietabel actueel, teneinde de wijzigingen van die nomenclatuur en van die vermeldingen in de lijst van die bijlagen erin weer te geven, alsmede iedere nieuwe aan afval gerelateerde code van de nomenclatuur van het geharmoniseerde systeem die door de Werelddouaneorganisatie wordt vastgesteld, erin op te nemen.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 59 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
5.
De lidstaten werken onderling in bilateraal en multilateraal verband samen om de preventie en opsporing van illegale overbrengingen te bevorderen. Zij wisselen binnen gevestigde structuren, in het bijzonder via het netwerk van correspondenten die zijn aangewezen overeenkomstig artikel 54, relevante informatie uit over overbrenging van afvalstoffen, afvalstromen, exploitanten en inrichtingen, en delen hun ervaringen en inzichten op het gebied van handhavingsmaatregelen, met inbegrip van de risicobeoordeling uitgevoerd op grond van lid 2 bis, van dit artikel.
6.
De lidstaten wijzen leden van hun team van vaste medewerkers aan die verantwoordelijk zijn voor de in lid 5 bedoelde samenwerking en stellen vast waarop de in lid 4 bedoelde fysieke controles zich dienen te concentreren. De informatie wordt naar de Commissie gestuurd die een samengevoegde lijst verstrekt aan de in artikel 54 genoemde correspondenten.
7.
Een lidstaat kan op verzoek van een andere lidstaat optreden tegen personen die worden verdacht van betrokkenheid bij de illegale overbrenging van afvalstoffen en die zich op zijn grondgebied bevinden.
Voetnoten
Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (PB L 197 van 24.7.2012, blz. 38).
Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).