Einde inhoudsopgave
Wet vorm van de eed
Artikel 1 [Vorm eed of belofte]
Geldend
Geldend vanaf 24-08-1911
- Bronpublicatie:
17-07-1911, Stb. 1911, 215 (uitgifte: 25-07-1911, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
24-08-1911
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
17-07-1911, Stb. 1911, 215 (uitgifte: 25-07-1911, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Advocaat
Strafprocesrecht / Algemeen
Hij, die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift mondeling een eed, belofte of bevestiging moet afleggen, zal:
- a.
indien hij een eed aflegt, onder het opsteken van de twee voorste vingers van zijn rechterhand, uitspreken de woorden: ‘Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig’,
- b.
indien hij een belofte aflegt, uitspreken de woorden: ‘Dat beloof ik’, indien hij een bevestiging aflegt, uitspreken de woorden: ‘Dat verklaar ik’,
tenzij hij aan zijn godsdienstige gezindheid den plicht ontleent den eed, de belofte of de bevestiging op andere wijze te doen.