Einde inhoudsopgave
Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie
Artikel 58 bis [Hogere voorziening]
Geldend
Geldend vanaf 01-09-2024
- Redactionele toelichting
1. Verzoeken om een prejudiciële beslissing die zijn ingediend op grond van art. 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aanhangig zijn bij het Hof van Justitie op de eerste dag van de maand volgend op de datum van inwerkingtreding van deze verordening worden behandeld door het Hof van Justitie. 2. Hogere voorzieningen tegen beslissingen van het Gerecht over een besluit van een kamer van beroep van een van de in art. 58 bis, eerste alinea, punten e) tot en met j), genoemde organen of instanties van de Unie en tegen in art. 58 bis, tweede alinea, punt b) bedoelde besluiten, die bij het Hof aanhangig zijn op de datum van de inwerkingtreding van deze verordening, vallen niet onder het mechanisme voor voorafgaande toelating van hogere voorzieningen.
- Bronpublicatie:
11-04-2024, PbEU L 2024, 2024/2019 (uitgifte: 12-08-2024, regelingnummer: 2024/2019)
- Inwerkingtreding
01-09-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
11-04-2024, PbEU L 2024, 2024/2019 (uitgifte: 12-08-2024, regelingnummer: 2024/2019)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Een hogere voorziening tegen een uitspraak van het Gerecht over een besluit van een onafhankelijke kamer van beroep van een van de volgende organen en instanties van de Unie zal niet worden behandeld, tenzij het Hof van Justitie eerst beslist dat het daarvan kennis moet kunnen nemen:
- a)
het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie;
- b)
het Communautair Bureau voor plantenrassen;
- c)
het Europees Agentschap voor chemische stoffen;
- d)
het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart;
- e)
het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators;
- f)
de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad;
- g)
de Europese Bankautoriteit;
- h)
de Europese Autoriteit voor effecten en markten;
- i)
de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen;
- j)
het Spoorwegbureau van de Europese Unie.
De in de eerste alinea bedoelde procedure is ook van toepassing op hogere voorzieningen tegen:
- a)
beslissingen van het Gerecht over een besluit van een onafhankelijke kamer van beroep die binnen enig ander orgaan of enige andere instantie van de Unie is ingesteld na 1 mei 2019, en die eerst moet worden aangezocht voordat een beroep kan worden ingesteld bij het Gerecht;
- b)
beslissingen van het Gerecht over de uitvoering van een overeenkomst die een arbitragebeding bevat in de zin van artikel 272 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
De hogere voorziening wordt overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering geheel of gedeeltelijk toegelaten wanneer daarbij een vraag aan de orde komt die belangrijk is voor de eenheid, de samenhang of de ontwikkeling van het Unierecht.
De beslissing aangaande de toelaatbaarheid van de hogere voorziening wordt met redenen omkleed en bekendgemaakt.