Einde inhoudsopgave
Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie
Artikel 54 [Onderlinge doorzending van stukken. Zaken met hetzelfde voorwerp, dezelfde vraag van uitlegging dan wel geldigheid]
Geldend
Geldend vanaf 01-09-2024
- Redactionele toelichting
1. Verzoeken om een prejudiciële beslissing die zijn ingediend op grond van art. 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aanhangig zijn bij het Hof van Justitie op de eerste dag van de maand volgend op de datum van inwerkingtreding van deze verordening worden behandeld door het Hof van Justitie. 2. Hogere voorzieningen tegen beslissingen van het Gerecht over een besluit van een kamer van beroep van een van de in art. 58 bis, eerste alinea, punten e) tot en met j), genoemde organen of instanties van de Unie en tegen in art. 58 bis, tweede alinea, punt b) bedoelde besluiten, die bij het Hof aanhangig zijn op de datum van de inwerkingtreding van deze verordening, vallen niet onder het mechanisme voor voorafgaande toelating van hogere voorzieningen.
- Bronpublicatie:
11-04-2024, PbEU L 2024, 2024/2019 (uitgifte: 12-08-2024, regelingnummer: 2024/2019)
- Inwerkingtreding
01-09-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
11-04-2024, PbEU L 2024, 2024/2019 (uitgifte: 12-08-2024, regelingnummer: 2024/2019)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Wanneer een tot het Gerecht gericht verzoekschrift of ander processtuk bij vergissing wordt neergelegd bij de griffier van het Hof van Justitie, wordt het door deze onverwijld doorgezonden naar de griffier van het Gerecht. Evenzo, wanneer een tot het Hof gericht verzoekschrift of ander processtuk bij vergissing wordt neergelegd bij de griffier van het Gerecht, wordt het door deze onverwijld doorgezonden naar de griffier van het Hof.
Wanneer het Gerecht vaststelt dat het niet bevoegd is kennis te nemen van een beroep of een verzoek om een prejudiciële beslissing waarvoor het Hof van Justitie bevoegd is, verwijst het dat beroep of verzoek naar het Hof van Justitie. Evenzo, wanneer het Hof van Justitie vaststelt dat een beroep of een verzoek om een prejudiciële beslissing tot de bevoegdheid van het Gerecht behoort, verwijst het dat beroep of verzoek naar het Gerecht, dat zich dan niet onbevoegd kan verklaren.
Evenzo, wanneer het Hof vaststelt dat een beroep tot de bevoegdheid van het Gerecht behoort, verwijst het de zaak naar het Gerecht, dat zich dan niet onbevoegd kan verklaren.
Wanneer bij het Hof en het Gerecht zaken aanhangig worden gemaakt die hetzelfde voorwerp hebben of die dezelfde vraag van uitlegging dan wel de geldigheid van dezelfde handeling betreffen, kan het Gerecht, de partijen gehoord, de behandeling schorsen totdat het Hof arrest heeft gewezen, dan wel, indien het beroepen betreft die krachtens artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn ingesteld, zich onbevoegd verklaren opdat het Hof uitspraak kan doen op die beroepen. Onder dezelfde voorwaarden kan ook het Hof besluiten zijn behandeling te schorsen; de procedure voor het Gerecht vindt dan doorgang.
Wanneer een lidstaat en een instelling van de Unie eenzelfde handeling betwisten, verklaart het Gerecht zich onbevoegd opdat het Hof uitspraak kan doen op die beroepen.