Einde inhoudsopgave
Mandaatregeling VWS
Artikel 10
Geldend
Geldend vanaf 14-09-2024. Let op: treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 01-09-2024
- Bronpublicatie:
05-09-2024, Stcrt. 2024, 29737 (uitgifte: 13-09-2024, regelingnummer: 3964551-1070646-WJZ)
- Inwerkingtreding
14-09-2024, terugwerkend tot: 01-09-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
05-09-2024, Stcrt. 2024, 29737 (uitgifte: 13-09-2024, regelingnummer: 3964551-1070646-WJZ)
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
1.
Behoudens de artikelen 12 tot en met 15b hebben de volgende functionarissen mandaat ten aanzien van stukken die tot hun werkterrein behoren:
- a.
De Directeuren-Generaal en de directeuren van een directie of eenheid van het kernministerie;
- b.
de Directeur-Generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu;
- c.
de inspecteur-generaal en de Directeur Strategie en Organisatie van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd;
- d.
de inspecteur-generaal, de Directeur Strategie, de Directeur Handhaven, de Directeur Slachttoezicht, de Directeur Handelstoezicht, de Directeur Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek en de Directeur Interne Organisatie van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit;
- e.
de Algemeen Directeur van het CIBG;
- f.
de Directeur van het agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen;
- g.
de Directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau;
- h.
de Directeur van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;
- i.
de Directeur van de Dienst Testen;
- j.
de hoofden van de direct onder de functionarissen, genoemd onder a tot en met i, ressorterende organisatie-eenheden.
2.
Indien een directie of eenheid niet is verdeeld in organisatie-eenheden, heeft ieder ander lid van het collegiaal managementteam mandaat ten aanzien van stukken die tot het werkterrein van zijn directie of eenheid behoren.