Einde inhoudsopgave
Besluit onderzoek in een geautomatiseerd werk
Artikel 21 Uitvoering van een bevel
Geldend
Geldend vanaf 01-03-2019
- Bronpublicatie:
28-09-2018, Stb. 2018, 340 (uitgifte: 09-10-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
01-03-2019
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
12-02-2019, Stb. 2019, 66 (uitgifte: 21-02-2019, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Informatierecht / ICT
1.
Indien de officier van justitie beveelt dat het verrichten van onderzoekshandelingen in een geautomatiseerd werk plaatsvindt met een technisch hulpmiddel wordt ter uitvoering van het bevel gebruik gemaakt van een goedgekeurd technisch hulpmiddel.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de officier van justitie bepalen dat, indien het onderzoeksbelang dit dringend vordert, een niet gekeurd technisch hulpmiddel wordt gebruikt. In dat geval vermeldt de officier van justitie in het bevel dat toepassing is gegeven aan artikel 21, tweede lid.
3.
Indien ter uitvoering van een bevel gebruik wordt gemaakt van een niet gekeurd technisch hulpmiddel vermeldt de officier van justitie de uitkomst van de keuring of herkeuring na afloop van het gebruik in de processtukken.
4.
In afwijking van het derde lid kan keuring of herkeuring na afloop van het gebruik achterwege blijven, indien de aard van het technische hulpmiddel zich naar het oordeel van de officier van justitie daartegen verzet. In dat geval vermeldt de officier van justitie in de processtukken dat toepassing is gegeven aan artikel 21, vierde lid, en vermeldt hij welke aanvullende waarborgen zijn getroffen om de betrouwbaarheid, integriteit en herleidbaarheid van de met het technisch hulpmiddel vastgelegde gegevens te garanderen.
5.
Indien de officier van justitie beveelt dat het verrichten van onderzoekshandelingen in een geautomatiseerd werk plaatsvindt zonder een technisch hulpmiddel worden ter uitvoering van het bevel de onderzoekshandelingen verricht die zijn omschreven in het bevel en worden procedurele waarborgen getroffen om de betrouwbaarheid, integriteit en herleidbaarheid van de tijdens het onderzoek vast te leggen gegevens te garanderen.