Einde inhoudsopgave
Besluit bouwwerken leefomgeving - Nota van toelichting
§ 3.2.8 Beperking van uitbreiding van brand
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Algemeen
De kans op een snelle uitbreiding van brand moet voldoende worden beperkt om een eventuele brand in een gebouw beheersbaar te kunnen houden. De belangrijkste bouwkundige voorziening daarbij is de brandcompartimentering. Een brandcompartiment is een gedeelte van een bouwwerk of een groep bouwwerken bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand (zie de toelichting op brandcompartiment in bijlage I).
In het verleden waren de gestelde eisen aan de beperking van uitbreiding van brand lager dan de huidige nieuwbouweisen. Om dit destijds rechtens verkregen niveau niet meer aan te tasten dan redelijkerwijs noodzakelijk kan worden geacht, zijn de eisen bij bestaande bouw lager dan bij nieuwbouw.
De regels van deze paragraaf zijn gericht op het waarborgen van de brandveiligheid bij een bestaand bouwwerk.
Regels gericht op de brandveiligheid bij een bedrijfsactiviteit of -proces, ook als dat proces in een bouwwerk plaats vindt, zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving of de krachtens dat besluit gestelde eisen in bijvoorbeeld de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, deel 15 (PGS 15, Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, richtlijn voor opslag en tijdelijke opslag met betrekking tot brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid).
De regels die het Besluit activiteiten leefomgeving aan een bedrijfsactiviteit stelt gelden in aanvulling op de regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Zo kan het volgens het Besluit activiteiten leefomgeving nodig zijn een brandwerende scheidingsconstructie aan te brengen rondom een activiteit terwijl het onderhavige besluit aan die begrenzing geen eisen stelt. Ook kan het zo zijn dat de krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde weerstand tegen branddoorslag van die brandwerende scheidingsconstructie hoger is. Als de op een specifiek geval van toepassing zijnde besluiten verschillende eisenniveaus geven, is het hoogste niveau van toepassing.
Artikel 3.36 (aansturingsartikel)
Een bouwwerk moet volgens het eerste lid zodanig zijn dat een eventuele brand in dat bouwwerk beheerst kan worden zodat de kans op uitbreiding van die brand naar bouwwerken op andere percelen beperkt blijft. Het gaat daarbij niet om het voorkomen van schade maar wel om het voorkomen van een onbeheersbare brand die zich uitstrekt tot een of meer op een ander perceel gelegen bouwwerken. Naast het beschermen van bouwwerken op andere percelen ziet de functionele eis ook toe op het vluchten en op de hulpverlening. De brand in een bouwwerk mag zich niet zodanig snel ontwikkelen dat het vluchten of de hulpverlening in gevaar komt, zowel op als buiten het perceel. De functionele eis impliceert dat een bouwwerk geheel mag afbranden zolang de brand maar niet overslaat naar bouwwerken op andere percelen en zolang de personen in het bouwwerk maar veilig kunnen vluchten. Er wordt op gewezen dat de wijzigingen ten opzichte van het vergelijkbare artikel in het Bouwbesluit 2012 ter verduidelijking zijn en geen inhoudelijke consequenties hebben.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op het gedeelte van het te bouwen bouwwerk met die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan.
Artikel 3.4 regelt voor deze paragraaf dat de in het eerste lid bedoelde functionele eis ook onverkort van toepassing is op de gebruiksfuncties waarvoor in de tabel geen enkele regel is aangewezen (ander bouwwerk geen gebouw zijnde). Dit is een afwijking van de hoofdregel die voor de meeste paragrafen aangeeft dat een aansturingsartikel niet van toepassing is op een gebruiksfunctie waarvoor geen regel is opgenomen in de tabel van het aansturingsartikel (zie hiervoor de toelichting op artikel 3.4).
Artikel 3.37 (brandcompartiment: ligging)
In dit artikel is aangegeven wanneer een ruimte wel of niet in een brandcompartiment moet liggen.
De omvang van het brandcompartiment is geregeld in artikel 3.38 en de eisen waaraan het brandcompartiment moet voldoen (de wering tegen branddoorslag en brandoverslag) in artikel 3.40.
Het eerste lid geeft de basisregel. Iedere besloten ruimte moet in een brandcompartiment liggen. Deze regel geldt niet voor een toiletruimte en een badruimte en ook niet voor een liftschacht en een kleine technische ruimte als deze aan de in onderdeel c) respectievelijk d) genoemde randvoorwaarden voldoet.
In een brandcompartiment kunnen afhankelijk van de feitelijke situatie ook meerdere besloten ruimten liggen. Zo liggen de woonkamer, keuken, slaapkamers en andere ruimten in een woning over het algemeen in hetzelfde brandcompartiment.
Een toiletruimte, een badruimte, een liftschacht en een kleine technische ruimte hoeven niet altijd in een brandcompartiment te liggen maar mogen dat wel. Als de ruimte wel binnen de grenzen van een brandcompartiment ligt, wordt ook de gebruiksoppervlakte van die ruimte tot de gebruiksoppervlakte van het brandcompartiment gerekend. Dit eerste lid geeft de opsomming van ruimten die niet in een brandcompartiment behoeven te liggen, het mag echter wel. Aangenomen mag worden dat in de genoemde ruimten het risico op een onbeheersbare brand verwaarloosbaar is, zodat het niet nodig is dat die ruimte in een brandcompartiment ligt. Ook een liftschacht (onderdeel c) en een technische ruimte (onderdeel d) behoeven als aan de randvoorwaarden in die onderdelen is voldaan niet in een brandcompartiment te liggen.
Opgemerkt wordt dat technische ruimten die niet fysiek van elkaar zijn gescheiden als één geheel moeten worden beschouwd. Dit betekent dat de totale oppervlakte van deze ruimten moet worden opgeteld om te beoordelen of ze buiten een brandcompartiment mogen liggen. Dit geldt voor de ruimtes waar een maximum aan de vloeroppervlakte is gesteld. Is er wel sprake van een fysieke scheiding, dan worden er echter geen eisen gesteld aan de kwaliteit van die fysieke scheiding.
Het tweede lid is gericht op een wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m. In aanvulling op het eerste lid is bepaald dat ook een niet-besloten gedeelte van een wegtunnelbuis in een brandcompartiment moet liggen. Een wegtunnelbuis staat per slot van rekening aan beide uiteinden in open verbinding met de buitenlucht en is daarom nabij de tunnelmond geen besloten ruimte in de zin van dit besluit. Toch mag een wegtunnelbuis niet per definitie worden beschouwd als een niet-besloten ruimte in de zin van dit besluit. Zie ook artikel 3.60, (inrichting vluchtroute: niet-besloten ruimte).
Het derde lid geeft aan dat een ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert nooit in een brandcompartiment mag liggen. Omdat een liftschacht (die aan de randvoorwaarden voldoet) volgens het eerste lid niet in een brandcompartiment hoeft te liggen, is het mogelijk een liftschacht op te nemen in een ruimte waardoor een extra beschermde verkeersruimte voert. Het is echter ook mogelijk een liftschacht op te nemen in een brandcompartiment zodat de lift direct op een verblijfsgebied kan aansluiten. Die liftschacht behoeft niet te voldoen aan de in het eerste lid, onderdeel c, gegeven voorwaarden voor een buiten een brandcompartiment gelegen lift. De brandveiligheid van een liftkooi, de attributen in een liftschacht en andere onderdelen van een lift worden geregeld via de Europese richtlijn liften en het Warenwetbesluit liften. De aankleding van de lift en in het bijzonder van de liftkooi zal uiteraard moeten voldoen aan de regels van artikel 6.14 (aankleding).
Het vierde lid regelt voor de industriefunctie en de overige gebruiksfunctie dat ook de niet-besloten gebruiksgebieden in een brandcompartiment moeten liggen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een inpandige houtopslag die vaak, vanwege de voor het conditioneren van hout wenselijke ventilatie, in een regenwerende maar niet-besloten ruimte ligt.
Het vijfde tot en met zevende lid geven voor een beperkt aantal gebruiksfuncties uitzonderingen op het eerste en vierde lid. De uitzonderingen betreffen nauwkeurig omschreven situaties waarvan mag worden aangenomen dat de kans op het ontstaan van een onbeheersbare brand er betrekkelijk gering is.
Het vijfde lid is van toepassing op een industriefunctie en een overige gebruiksfunctie met een geringe vuurbelasting.
Het zesde lid regelt dat het eerste en vierde lid niet van toepassing zijn op een of meer aangrenzende bouwwerken met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m2 (bij de lichte industriefunctie en de overige gebruiksfunctie). Zo hoeft geen rekening gehouden te worden met de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van bijvoorbeeld een schuurtje in de achtertuin. Tegelijkertijd wordt echter voorkomen dat zonder meer een berging of een schuurtje tegen de bebouwing op het aangrenzende perceel kan worden geplaatst of dat een oneindig grote reeks bergingen tegen elkaar kan worden geplaatst zonder dat deze in een brandcompartiment liggen. Ook is hiermee duidelijk dat een berging in een woongebouw in een brandcompartiment moet liggen en dat er altijd een brandscheiding moet zijn tussen de bergingen en het portiek of vluchttrappenhuis. Bij het bepalen van de totale omvang gaat het namelijk om alle bouwwerken (en bouwwerkonderdelen) ongeacht de gebruiksfunctie daarvan, zodat een berging in een woongebouw nooit onder de vrijstelling van het zesde lid kan vallen. De uitzondering voor de lichte industriefunctie en de overige gebruiksfunctie geldt alleen voor zover de totale gebruiksoppervlakte niet groter is dan 100 m2. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de gebruiksoppervlakte van het bouwwerk waarin de gebruiksfunctie zelf ligt maar ook naar aangrenzende bouwwerken, ongeacht de gebruiksfunctie van die aangrenzende bouwwerken. Dit betekent dat wanneer een schuurtje in een rij met een aantal andere schuurtjes staat de totale gebruiksoppervlakte van de rij schuurtjes bepalend is.
Wordt een schuurtje (buitenberging) opgenomen in een flatgebouw, dan moet dat schuurtje in een brandcompartiment liggen omdat de totale gebruiksoppervlakte van dat flatgebouw groter zal zijn dan 100 m2. Wordt het schuurtje tegen een huis aangebouwd, dan moet dat schuurtje in een brandcompartiment liggen als de gezamenlijke gebruiksoppervlakte groter is dan 100 m2. Als dat zelfde schuurtje bij de woning behoort kan er sprake zijn van een nevengebruiksfunctie zodat het schuurtje in hetzelfde brandcompartiment als die woonfunctie mag liggen (artikel 3.38, vijfde lid). Behoort dat schuurtje niet bij die woning dan moet het schuurtje in een afzonderlijk brandcompartiment liggen. Het zesde lid doet dus geen afbreuk aan de eis van artikel 3.38, vijfde lid, dat regelt dat een berging of andere nevengebruiksfunctie in hetzelfde brandcompartiment als de woning mag liggen. Op grond van het derde lid van artikel 3.38 is het, als de bergruimten op één perceel liggen, niet nodig om tussen de bergruimten onderling een brandscheiding aan te brengen.
Het zevende lid geeft een uitzondering op het eerste en vierde lid voor een lichte industriefunctie met een beperkte permanente vuurbelasting.
Artikel 3.38 (brandcompartiment: omvang)
Het doel van brandcompartimentering is de ongehinderde uitbreiding van een brand te beperken tot een gedeelte van het gebouw. Dit artikel stelt eisen aan de maximale omvang van een brandcompartiment, zodat een eventuele brand beheersbaar blijft. Wanneer de brand binnen het brandcompartiment blijft, draagt dit bij aan de veiligheid van personen in andere gedeelten van het gebouw.
Een brandcompartiment mag om zijn functie van brandbegrenzer goed te kunnen vervullen niet te groot zijn. Ook kan het zinvol zijn ruimten met een bijzonder brandrisico in een afzonderlijk brandcompartiment op te nemen.
Het eerste lid geeft de basiseis die regelt dat de omvang van een brandcompartiment niet groter mag zijn dan de in tabel 3.36 genoemde gebruiksoppervlakte.
Het tweede lid geeft aan dat er ten hoogste 4 woonwagens met bijgebouwen (zie voor een toelichting op het begrip nevengebruiksfunctie de artikelsgewijze toelichting op bijlage I) bij elkaar mogen liggen binnen een brandcompartiment, op voorwaarde dat de totale gebruiksoppervlakte in dat brandcompartiment aan woonwagens en bijgebouwen niet groter is dan 1.000 m2. Hiermee is het mogelijk om ook grotere woonwagens dan 125 m2 te plaatsen binnen een brandcompartiment. Het maximum van 1.000 m2 past binnen de uitgangspunten van de Handreiking brandveiligheid van woonwagens en woonwagenlocaties, VROM-Inspectie, 15 maart 2009, op basis waarvan veel woonwagenlocaties zijn ingericht. De onderlinge afstand die hierbij tussen de woonwagens moet worden aangehouden is niet in dit besluit geregeld. De theoretische afstand van 5 m in het negende lid van artikel 4.53 die in de praktijk soms als onderlinge afstand wordt aangehouden is daar niet voor bedoeld. De in dat artikel genoemde afstand is alleen een rekenwaarde om de brandwerendheid te kunnen toetsen zonder dat de standplaats van de te bouwen woonwagen bekend hoeft te zijn. De daadwerkelijke afstand tussen de woonwagens volgt uit het omgevingsplan. Dit (tweede) lid geeft het bevoegd gezag alleen de mogelijkheid om op te treden tegen een brandonveilige opstelling van woonwagens wel of niet als gevolg van een onjuiste afstand tussen de woonwagens onderling. Een clusteromvang van ten hoogste 4 woonwagens biedt voldoende brandveiligheid en laat ruimte om woonwensen in te willigen.
Het derde lid bepaalt dat een brandcompartiment zich niet over meer dan een bouwwerkperceel mag uitstrekken. Een brandcompartiment mag zich wel uitstrekken over meer dan een gebouw (een groep gebouwen) mits de gebouwen op hetzelfde bouwwerkperceel liggen.
Aan het vierde lid wordt voor wegtunnels voldaan wanneer elke wegtunnelbuis brandwerend is gescheiden van een andere wegtunnelbuis. Dit betekent dat een andere wegtunnelbuis wel altijd in een ander brandcompartiment moet liggen. Andere ruimten, zoals een technische ruimte of hulppost mogen, voor zover deze niet in een andere wegtunnelbuis liggen, wel in hetzelfde brandcompartiment liggen. Het is dus ook niet uitgesloten dat in hetzelfde brandcompartiment als de tunnelbuis nog andere ruimten liggen.
Het vijfde lid benadrukt dat in een brandcompartiment van een woonfunctie alleen één woning mag liggen. Verder mogen in dat brandcompartiment alleen gebruiksfuncties van een andere soort liggen als die gebruiksfuncties nevengebruiksfuncties van die ene woonfunctie zijn. In de meeste gevallen zal het alleen om een enkele nevengebruiksfunctie gaan bijvoorbeeld een buitenberging (overige gebruiksfunctie). Het kan ook voorkomen dat er een kantoor aan huis of een andere nevengebruiksfunctie is. Uit het zesde lid volgt dat woningen (in een woongebouw) een gemeenschappelijk verblijfsgebied mogen hebben als dit verblijfsgebied in een afzonderlijk brandcompartiment ligt. Bij een woning met een gemeenschappelijk verblijfsgebied, moet gedacht worden aan een woning met bijvoorbeeld een gemeenschappelijke huiskamer en keuken. De gemeenschappelijke ruimten mogen dus niet binnen het brandcompartiment van een van de woningen liggen. Een gemeenschappelijke ruimte is een ruimte die ten dienste staat van een aantal afzonderlijke woonfuncties. Het gaat in dit lid dus niet om de ruimten binnen een woning die door verschillende bewoners van die woning, bijvoorbeeld een woonfunctie voor kamergewijze verhuur, worden gedeeld. Die ruimten zijn niet gemeenschappelijk maar gezamenlijk (zie artikel 2.7).
Het zevende lid moet worden onderscheiden van artikel 3.37, eerste lid, onderdeel d. De in dat lid bedoelde kleinere technische ruimte (ten hoogste 100 m2) hoeft niet in een brandcompartiment te liggen. Als een dergelijke kleinere ruimte wel in een brandcompartiment ligt dan gelden daarvoor geen specifieke eisen en mag deze ruimte samen met andere ruimten in dat brandcompartiment liggen. De in dit zevende lid beschreven grotere technische ruimte (meer dan 100 m2) moet echter altijd in een afzonderlijk brandcompartiment liggen. Het zevende lid is niet meer aangestuurd voor de industriefunctie, anders dan een lichte industriefunctie voor het houden van dieren. In een industriefunctie is in het algemeen het brandrisico in een technische ruimte niet groter dan in andere ruimten in een industriefunctie. In andere ruimten kunnen namelijk ook verbrandingstoestellen staan, zij het dat deze verbrandingstoestellen geen bouwwerkinstallatie zijn maar een op het proces gerichte installatie.
Het achtste lid regelt dat bij een brandcompartiment van een industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 2.000 m2 het eerste lid niet van toepassing is op een of meer in dat brandcompartiment gelegen nevengebruiksfuncties zoals een kantoorfunctie.
Artikel 3.39 (opvangcompartiment)
Het eerste lid geeft voor de celfunctie een afwijking van het eerste lid van artikel 3.38. Een brandcompartiment waarin een celeenheid ligt, mag niet groter zijn dan 1.000 m2 en mag nooit meer dan 77% van de gebruiksoppervlakte van het gebouw zijn. Aan deze beide regels moet gelijktijdig zijn voldaan. Uit dit lid volgt dat een gebouw met een celfunctie naast het brandcompartiment waarin de cellen liggen altijd een buiten dat brandcompartiment gelegen gebruiksoppervlakte moet hebben. Deze gebruiksoppervlakte is noodzakelijk om de personen, bij brand in het brandcompartiment met cellen, buiten dat brandcompartiment in veiligheid te brengen en wordt daarom vaak aangeduid als opvangcompartiment.
Het tweede lid maakt duidelijk dat een brandcompartiment met bedgebied voor bedgebonden patiënten niet meer dan 77% van de gebruiksoppervlakte van een bouwlaag mag omvatten. Dit is van belang voor het in veiligheid kunnen brengen van bedgebonden patiënten. Deze moeten bij brand met bed en al verplaatst kunnen worden naar een andere brandcompartiment (opvangcompartiment) op dezelfde bouwlaag. Bij niet bedgebonden patiënten in een bedgebied zijn deze voorzieningen niet nodig omdat deze patiënten zelfstandig via de reguliere vluchtroutes naar een veilige plaats kunnen vluchten. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het nadrukkelijk niet verboden is om een lift te gebruiken bij brand. Aan het gebruik van een lift bij brand zijn echter risico's verbonden. In samenspraak met de lokale brandweer kan worden gezocht naar randvoorwaarden om de (brandweer)lift bij brand te kunnen gebruiken voor de evacuatie van verminderd zelfredzamen.
Artikel 3.40 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: niveau van eisen)
Een brandcompartiment kan pas als brandcompartiment functioneren als aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment (in de praktijk ook afgekort tot wbdbo) is voldaan. Brandoverslag betekent in dit verband de uitbreiding van brand via de buitenlucht, terwijl met branddoorslag wordt bedoeld de branduitbreiding door een constructieonderdeel heen. De wbdbo wordt uitgedrukt in minuten.
Het eerste lid stelt een eis van 20 minuten wbdbo. Deze eis geldt van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment. Ook geldt deze eis van een brandcompartiment naar een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert.
Het tweede lid geeft een eis voor woonwagens. Bij de bepaling van de kwaliteit van de brandscheiding tussen een in het tweede lid van artikel 3.38 bedoeld brandcompartiment met ten hoogste vier woonwagens en een ander brandcompartiment kan naar keuze worden uitgegaan van de afstand of de wbdbo. Wordt alleen uitgegaan van de afstand dan moet een afstand van ten minste 5 meter worden aangehouden. Een kleinere afstand is ook mogelijk, maar dan moet aannemelijk zijn dat de woonwagens zodanig zijn dat de wbdbo tussen het brandcompartiment met ten hoogste vier woonwagens en het aangrenzende compartiment ten minste 20 minuten is.
Artikel 3.41 (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: bepalingsmethode)
Het eerste lid regelt dat voor het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag gebruik gemaakt kan worden van de in NEN 6068 opgenomen bepalingsmethode.
Het tweede lid is bedoeld om het bestaande gebouw niet onevenredig zwaar te belasten als gevolg van een eventuele slechte kwaliteit van de belending. Daarom moet bij het beoordelen van de brandveiligheid van een gebouw ter beperking van het gevaar van brandoverslag altijd rekening worden gehouden met een spiegelsymmetrisch, maar verder identiek gebouw op een naburig perceel. Voor dit denkbeeldige, identieke gebouw moet men uitgaan van een identieke gevel die op dezelfde afstand van de perceelsgrens ligt als de gevel van het te beoordelen gebouw. Hiermee wordt het mogelijk een bestaand bouwwerk te beoordelen zonder dat inzicht nodig is de kwaliteit van de belendingen. Ongeacht de feitelijke kwaliteit van de belendingen moet dus worden uitgegaan van een spiegelsymmetrisch aan het eigen gebouw identiek gebouw.
Voor het geval op het belendende perceel geen bouwbestemming rust en ook niet is bestemd voor een speeltuin, kampeerterrein of de opslag van brandgevaarlijke stoffen kan de spiegeling plaatsvinden als ware het perceel gelegen aan openbaar groen. Hierbij kan zo nodig ook een beroep op gelijkwaardigheid worden gedaan, ter beoordeling van het bevoegd gezag.